ECLI:NL:RBNNE:2019:4293

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
18 oktober 2019
Zaaknummer
19/3577
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning en bedrijfspanden wegens hennephandel

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de burgemeester besloten tot sluiting van vier bedrijfspanden en de woning van verzoeker vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden hennep in de bedrijfspanden. De burgemeester baseerde dit op artikel 13b van de Opiumwet en het geldende beleid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester terecht tot sluiting van de bedrijfspanden heeft besloten, gezien de ernst van de situatie en de aanwezigheid van hennep in handelshoeveelheden. De gedeeltelijke afsluiting van het schiphuis houdt rekening met de bedrijfsbelangen van verzoeker.

Echter, voor de woning van verzoeker ontbreekt zelfstandige grondslag voor sluiting omdat er geen hennep is aangetroffen en het terrein van de jachtwerf, waar de woning deel van uitmaakt, niet volledig wordt gesloten. Hierdoor is het doel van de sluiting, het wegnemen van de loop, niet gediend met sluiting van de woning.

De voorzieningenrechter verbiedt daarom de sluiting van de woning en wijst het verzoek voor het overige af. Tevens wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: Sluiting van de bedrijfspanden wordt bevestigd; sluiting van de woning wordt verboden wegens gebrek aan noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/3577
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Speksnijder),
en
De burgemeester van de gemeente De Fryske Marren, verweerder
(gemachtigde: mr. J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het geschil is behandeld op de zitting van 15 oktober 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door W.A. Jonker.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verbiedt de sluiting van de woning van verzoeker;
- wijst het verzoek voor het overige af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.024.

Overwegingen

1. De last onder bestuursdwang houdt in dat vanaf 16 oktober 2019, 13:00 uur, op het adres [adres 1] te [plaats] vier bedrijfsgebouwen geheel of gedeeltelijk gesloten worden en dat op het adres [adres 2] de woning van verzoeker wordt gesloten. Het betreft een sluiting voor de duur van zes maanden.
2.1.
In elk van de vier bedrijfsgebouwen zijn delen van hennepplanten aangetroffen. Hennep is opgenomen in Lijst II van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheden zijn zo groot dat van handelshoeveelheden moet worden gesproken. Dit betekent dat verweerder bevoegd is om op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de bedrijfsgebouwen over te gaan.
2.2.
De sluiting is overeenkomstig het beleid van verweerder. Er is sprake van een ernstige situatie, zoals omschreven in het beleid, waarin tot directe sluiting kan worden overgegaan.
2.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid kunnen besluiten tot de sluiting van de bedrijfsgebouwen zoals omschreven in het besluit. Verweerder heeft voldoende met de bedrijfsbelangen van verzoeker rekening gehouden door het schiphuis slechts gedeeltelijk af te sluiten. Van een uitzondering voor het (gehele) bedrijfsgebouw waarin de werkplaats zich bevindt, heeft verweerder mogen afzien aangezien in de kelder van de werkplaats hennep is gevonden.
3.1.
In de woning van verzoeker is geen hennep aangetroffen. Dit betekent dat zelfstandige grond voor de sluiting van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet ontbreekt.
3.2.
Voor zover verweerder stelt dat de woning deel uitmaakt van een onlosmakelijk geheel, wijst de voorzieningenrechter erop dat verweerder niet is overgegaan tot volledige sluiting van de gehele jachtwerf. Het terrein van de jachtwerf, waaronder de steigers en een deel van het schiphuis, blijft als zodanig toegankelijk, niet alleen voor derden maar ook voor verzoeker. Gelet daarop heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet in redelijkheid kunnen besluiten tot sluiting van de woning. De noodzaak hiertoe ontbreekt omdat het terrein van de jachtwerf toegankelijk blijft en het doel van “de loop eruit halen” dus niet met de sluiting van de woning wordt bereikt.
4. Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat de sluiting van de woning achterwege dient te blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een voorziening te treffen die verder strekt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.