ECLI:NL:RBNNE:2019:4604

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
5 november 2019
Zaaknummer
LEE - 19 _ 2480
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag Ziektewet niet-ontvankelijk verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen om toepassing van artikelen 38, 38a en 30 van de Ziektewet. Hij stelde de verweerder bij brief van 29 mei 2019 in gebreke. De rechtbank constateert dat de ingebrekestelling voortijdig was, omdat de beslistermijn van acht weken nog niet was verstreken.

De rechtbank wijst erop dat een ingebrekestelling pas geldig is als deze na het verstrijken van de beslistermijn plaatsvindt. De brieven van 4 en 15 juni 2019, die eiser aanvoert als aanvullende aanvragen, dateren na de ingebrekestelling en veranderen hier niets aan.

Daarom oordeelt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens voortijdige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/2480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 12 juli 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen om de artikelen 38, 38a en 30 van de Ziektewet (ZW) toe te passen. Bij zijn beroep heeft eiser een formulier gevoegd waaruit blijkt dat hij verweerder bij brief van 29 mei 2019 in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank heeft eiser bij brief van 17 juli 2019 medegedeeld dat het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een beroepschrift worden gesteld. De rechtbank heeft eiser verzocht een kopie toe te sturen van de aanvraag waarop niet tijdig is beslist.
Eiser heeft bij fax van 22 juli 2019 op het verzoek gereageerd en daarbij (al dan niet digitale) brieven van 28 mei 2019, 4 juni 2019 en 15 juni 2019 gevoegd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
3. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo'n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 van Pro de Awb heeft gedaan.
4. De rechtbank stelt vast dat in de Awb niet is voorzien in een beslistermijn bij een aanvraag om de artikelen 38, 38a en 39 van de ZW toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige dient te worden aangesloten bij de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde beslistermijn van acht weken.
5. Eiser heeft op 28 mei 2019 zijn aanvraag ingediend bij verweerder. De beslistermijn eindigde in het geval van eiser op 23 juli 2019. Eiser heeft verweerder vervolgens bij brief van 29 mei 2019 in gebreke gesteld.
6. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is slechts sprake als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een besluit op aanvraag is verstreken. De ingebrekestelling, door eiser ingediend op 29 mei 2019, is voortijdig ingediend. Als eiser met de inzending van zijn brieven van 4 juni 2019 en 15 juni 2019 wil aangeven dat ook deze brieven relevante aanvragen zijn geweest, dan stelt de rechtbank vast dat deze brieven dateren van ná de ingebrekestelling. Nu er geen sprake is van een geldige ingebrekestelling zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.
de griffier de rechter
afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.