Uitspraak
4.Overzicht correcties
8.Naheffingsaanslag loonbelasting
Over de jaren 2008 tot en met 2011 zal ik een naheffingsaanslag loonbelasting opleggen.”
‘Naheffing LB’) bedoelde naheffingsaanslagen loonbelasting 2008, 2009 en 2010 op te leggen aan de B.V. De naheffingsaanslag loonbelasting 2011 heeft verweerder wel opgelegd. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 aan eiser heeft verweerder voormelde bedragen aan na te heffen loonbelasting als voorheffing verrekend.
“Over 2008 is het bezwaar van [zoon eiser] op de naheffingsaanslagen IB/PVV en Zvw gegrond verklaar[d]. Dit schept volgens behandelaar geen precedent voor de overige naheffingsaanslagen. Dit wordt bestreden! Volgens de gegeven motivering voor de verwerping van het standpunt van [zoon eiser] geldt dat voor de IB/PVV 2008 voor [zoon eiser] het bezwaar eveneens gegrond moet worden verklaard in verband met overschrijding van de vijfjarentermijn (…).”
‘4.2 Winstaandeel maatschap’). De enkele omstandigheid dat dit in 2011 volgens eiser niet het geval was, betekent naar het oordeel van de rechtbank - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet dat daarmee ook het gebruikelijk loon in dat jaar lager zou moeten worden vastgesteld. Dat volgens eiser de liquiditeitspositie van de B.V. te wensen overliet, doet aan het voorgaande evenmin af. Gesteld al dat de liquiditeitspositie van de B.V. daadwerkelijk te wensen overliet - de rechtbank laat dat in het midden - dan is daarmee nog niet iets gezegd over de winstgevendheid van de B.V. Daarbij is gesteld noch gebleken dat (eiser namens) de B.V. verweerder op enig moment heeft verzocht om vrijstelling van het gebruikelijk loon. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gehanteerde normbedragen niet reëel zouden zijn voor zijn werkzaamheden voor de B.V. Eiser is dus niet geslaagd in de op hem rustende (tegen)bewijslast. Verweerder heeft de in artikel 12a van de Wet LB vastgelegde bedragen daarom terecht gehanteerd.
‘4.2.2.2 Privé-aankopen/bestedingen’). Volgens verweerder dienen deze uitgaven geen zakelijk doel en heeft de B.V., als maat van de maatschap, deze uitsluitend gedaan om haar aandeelhouder te gerieven. Daarmee is sprake van (middellijke) winstuitdelingen van de B.V. aan eiser, aldus verweerder.
‘Privé aankopen/bestedingen’in het onder 1.7 geciteerde controlerapport (hierna: overige kosten), zonder specifieke toelichting en zonder het bedrag per kostenpost te specificeren, niet volstaat. Hoewel de omschrijving van een aantal van deze overige kosten in de richting wijzen van niet-zakelijke kosten en daarmee op mogelijke winstuitdelingen, heeft verweerder met enkel deze opsomming onvoldoende invulling gegeven aan de in dit kader op hem rustende bewijslast.
‘4.2.2.5 Sponsorkosten dravers’) genoemde facturen aan hem waren gericht en niet aan de maatschap. De door eiser overgelegde sponsorovereenkomst tussen de B.V. en [A] maakt dit oordeel niet anders, onder meer omdat uit het voorgaande volgt dat van de in deze overeenkomst genoemde deelname aan koersen en het vergroten van de naamsbekendheid van de B.V. door eiser niets aannemelijk is gemaakt.
“dat het de inspecteur vrijstaat in zijn uitspraak op een bezwaarschrift de elementen van de aanslag - in dit verband op te vatten als het na verrekening met het bedrag van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen overblijvende nettobedrag aan verschuldigde belasting - te veranderen, slechts met deze beperking dat dit nettobedrag niet hoger mag zijn dan het oorspronkelijke.”In het arrest van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AD9713) heeft de Hoge Raad bevestigd dat interne compensatie ook na inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht mogelijk is.
‘Privégebruik auto’) is weergegeven dat het vervallen van de correctie privégebruik auto leidt tot vermindering van de als voorheffing te verrekenen loonbelasting, zoals door verweerder gesteld en door eiser niet weersproken, tot een bedrag van € 7.181. Naar het oordeel van de rechtbank kan met betrekking tot deze ten onrechte verrekende bedragen aan loonheffing voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 interne compensatie plaatsvinden. Ten aanzien van de niet-gecorrigeerde winstuitdelingen overweegt de rechtbank het volgende. Uit het onder 22. tot en met 30. overwogene volgt dat ter zake van de sponsorkosten dravers sprake is geweest van winstuitdelingen, terwijl verweerder die niet heeft meegenomen bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2011. Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerder daarom vrij om bij uitspraak op bezwaar deze elementen van de navorderingsaanslagen alsnog in aanmerking te nemen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerder zich zowel ten aanzien van de ten onrechte verrekende loonheffing als ten aanzien van de niet-gecorrigeerde winstuitdelingen op interne compensatie kan beroepen. Het gelijk op dit punt is dan ook aan verweerder.