Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Gemeente Groningen, te Groningen, eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Artikel 3(…)3. Staat van het verkochte
7. Belastingen
Koper en verkoper zijn van oordeel dat de levering vrijgesteld van BTW dient plaats te vinden omdat sprake is van de levering van een bebouwd terrein niet zijnde een bouwterrein in de zin van artikel 11 lid 4 Wet Pro OB. Ter zake van deze levering wordt door de Gemeente dan ook geen BTW in rekening gebracht.
(…)”
“6.3
onbebouwde gronden daarmee van een
bouwterreinin de zin van artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) (tekst 2016) (hierna: bouwterrein). Het antwoord op die vraag bepaalt of de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB van toepassing is.
uitzonderingop deze vrijstelling. Het is verweerder die stelt dat die uitzondering in dit geval van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank draagt verweerder daarom de bewijslast om aannemelijk te maken dat in dit geval sprake is van een bouwterrein.
Kamerstukken II1995/1996, 24 703, nr. 3, p. 4):
Naast “echte” gebouwen zoals huizen, kantoren, schuren en dergelijke, vallen daar bijvoorbeeld ook onder bruggen, tunnels, viaducten, straten, wegen, pleinen en sluizen. Ook atletiekbanen, kunstgrasvelden en sportvelden omgeven door tribunes kunnen hieronder worden gerangschikt. Indien bij het aanleggen van een sportveld evenwel slechts sprake is van het egaliseren en inzaaien van de grond kan niet worden gesproken van een bouwwerk. Bij een combinatie van bebouwde en onbebouwde grond dient te worden beoordeeld of die delen in het maatschappelijk verkeer een zelfstandige betekenis hebben en in die zin afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt.”
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag OB;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024.