ECLI:NL:RBNNE:2019:5283
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onverbindendheid uitzondering vergunningplicht beweiden en bemesten in Provinciale Omgevingsverordening Drenthe
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de provincie Drenthe om niet handhavend op te treden tegen het zonder vergunning weiden van vee en bemesten van gronden door een melkrundveehouderij. Verweerder baseerde zijn besluit op een uitzondering in artikel 3.1 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) die het weiden en bemesten vrijstelt van vergunningplicht.
De rechtbank stelt vast dat deze uitzondering onverbindend is omdat zij in strijd is met artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn, zoals bevestigd in een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1604). Hierdoor is het weiden en bemesten zonder vergunning in strijd met de Wet natuurbescherming (Wnb).
De melkrundveehouderij beschikt wel over een vergunning voor andere activiteiten, maar niet voor het weiden en bemesten. Omdat verweerder zich jarenlang op het standpunt heeft gesteld dat deze activiteiten niet vergunningplichtig waren, kan de melkrundveehouderij geen verwijt worden gemaakt dat zij geen vergunning heeft aangevraagd.
De rechtbank beveelt dat verweerder de melkrundveehouderij eerst in de gelegenheid stelt een ontvankelijke vergunningaanvraag te doen binnen een redelijke termijn van drie maanden. Pas daarna kan verweerder een nieuw besluit nemen over handhaving. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen na gelegenheid tot vergunningaanvraag.