AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens ontbreken wrakingsgronden
Verzoekster diende op 6 november 2019 een verzoek tot wraking in tegen mr. S. Dijkstra in een bestuursrechtelijke procedure (nummer LEE 18/3647 ZVW). De rechtbank beoordeelde dit verzoek aan de hand van artikel 8:15 vanPro de Awb en het vereiste van objectieve gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid zoals neergelegd in artikel 6 EVRMPro.
De rechtbank overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet voldoende. Bovendien kan een wrakingsverzoek alleen gericht zijn tegen rechters die daadwerkelijk betrokken zijn bij de behandeling van de zaak.
In deze zaak ontbraken concrete feiten en omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden rechtvaardigen. Ook waren de stellingen gericht tegen de gehele rechtbank of tegen rechters die geen bemoeienis hadden met de procedure, wat niet mogelijk is. Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en bepaalde dat de procedure wordt voortgezet in de stand van vóór het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. S. Dijkstra is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van concrete wrakingsgronden.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/195360 / PR RK 19-347
beslissing van de meervoudige kamer van 26 november 2019
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[naam]
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
1.Procesverloop
Bij brief van 6 november 2019 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van mr. S. Dijkstra in de procedure met nummer LEE 18 / 3647 ZVW.
2.Overwegingen
2.1.
Ingevolge artikel 8:15 e.v. Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
2.3.
Uit de wet volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
2.4.
Voor zover het verzoek tot wraking en de daaraan ten grondslag liggende stellingen gericht zijn tegen de gehele rechtbankdanwel tegen rechters die geen bemoeienis hebben met de behandeling van de procedure met nummer LEE 18 / 3647 ZVW overweegt de rechtbank het volgende.
2.5.
Gelet op de jurisprudentie inzake wrakingsprocedures (vgl. HR 18 december 1998, NJ 1999, 271 en bijv. Rechtbank Arnhem 18 april 2008, LJN BD 1951) voorziet de wet niet in de mogelijkheid tot wraking van een rechter die geen bemoeienis heeft met de behandeling van de specifieke zaak. Met andere woorden: een wrakingsverzoek kan alleen gericht zijn tegen rechters die een zaak behandelen en niet tegen de rechtbank als algemeen instituut.
2.6.
Met de stellingen die verzoeker heeft aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek tot wraking van de gehele rechtbank danwel van rechters die geen bemoeienis hebben met de behandeling van de procedure met nummer LEE 18 / 3647 ZVW kan dan ook op zich geen rekening worden gehouden.
2.7.
Voor zover het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Dijkstra overweegt de rechtbank dat aan dat verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.
2.8.
Verzoeker zal dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.
3.Beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
- bepaalt dat de procedure met nummer LEE 18 / 3647 ZVW wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aan het CAK te Den Haag.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, W.P. Claus en S. Zwarts, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.