ECLI:NL:RBNNE:2019:5360

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
24 december 2019
Zaaknummer
18/750014-16
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 lid 3 en 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepdelicten

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 19 december 2019 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor meermalen medeplegen van hennepdelicten.

De vordering betrof een bedrag van €2.700, gebaseerd op verklaringen van veroordeelde en diverse proces-verbalen van politieonderzoeken in loods en bedrijfsruimtes waar hennepkwekerijen werden aangetroffen. Veroordeelde ontving vergoedingen voor hand- en spandiensten bij meerdere henneplocaties.

De rechtbank nam de verklaring van veroordeelde als uitgangspunt en stelde het voordeel vast op €2.650. De officier van justitie persisteerde in haar vordering, de raadsman van veroordeelde verzette zich niet. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij mr. Koelman niet medeondertekende wegens verhindering. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen en proces-verbalen van politieonderzoeken.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €2.650 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/750014-16
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2019 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 16 oktober 2018 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.700,-- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750014-16 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 29 oktober 2019, alwaar zijn verschenen de officieren van justitie mr. C.V. van Overbeeke en mr. G. Wilbrink en de raadsman van veroordeelde, mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. De veroordeelde is niet verschenen.
In de (schriftelijke) procedure zijn aan de processtukken toegevoegd:
- een conclusie van eis van de officier van justitie d.d. 2 november 2018;
- een mailbericht d.d. 4 januari 2019, afkomstig van de raadsman van veroordeelde.
De officier van justitie mr. C.V. van Overbeeke heeft ter zitting gepersisteerd bij haar ingediende vordering.
De raadsman van veroordeelde heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal nummer NNNTAG15008-AH-023-01, d.d. 10 december 2015, opgenomen op pagina 122 - 129, zaakdossier 1 van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2015009187, d.d. 3 januari 2017, inhoudende als verklaring van verbalisanten:
Op 20 november 2015 werd een onderzoek ingesteld in een loods op het adres [adres 1] , gemeente Franekeradeel. Wij zagen dat in de loods een unit met drie koelcellen waren geplaatst. Twee koelcellen waren als kweekruimten ingericht.
Zoals wij zagen was kweekruimte A gerooid. In ruimte C bevond zich een in werking zijnde hennepkwekerij. In totaal stonden er in kweekruimte C 550 hennepplanten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, nummer AH-137-01, d.d. 19 mei 2016, opgenomen op pagina 81 - 89, zaakdossier 4 van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2015009187, d.d. 5 januari 2017, inhoudende als verklaring van verbalisanten:
Op 9 februari 2016 stelden wij een onderzoek in op het adres [adres 2] , vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Na het binnentreden zag ik een kweekruimte van ongeveer 14 bij 8 meter. De ruimte was verdeeld in twee kweekruimten. In een ruimte stonden 570 potten met teelaarde, waaruit kennelijk de planten geoogst waren. In een andere ruimte stonden 662 hennepplanten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, nummer PL0100-2016037976-12, d.d. 9 februari 2016, opgenomen op pagina 42 - 45, zaakdossier 3, van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2015009187, d.d. 3 januari 2017, inhoudende als verklaring van verbalisanten:
Op 9 februari 2016 zijn wij de bedrijfsruimte aan [adres 3] binnengetreden. Deze ruimte was onderdeel van een bedrijfsverzamelgebouw, waarvan iedere ruimte een eigen toegangsdeur heeft. Wij zagen een aanhanger. In de achterwand van de aanhangwagen was een deur gecreëerd. Vervolgens hebben wij de genoemde deur geopend. Bij het openen van de deur roken wij direct een sterke geur van hennep. Wij zagen dat hennepplanten in de aanhangwagen stonden. Na telling bleek dat er 96 hennepplanten van genoemd formaat in de aanhangwagen stonden.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, nummer 129, d.d. 11 februari 2016, opgenomen op pagina 358 – 363 van voornoemd zaakdossier 1, inhoudende als verklaring van [veroordeelde] :
V: We gaan per henneplocatie nog wat vragen stellen.
V: [adres 1] , wanneer is die begonnen?
A: Vorig jaar ergens, er zijn 4 oogsten geweest. 2 per ruimte.
V: Wat heb jij daar verdiend?
A: € 600,--.
V: [adres 2] , wanneer is die begonnen?
A: In de zomer van 2014 heb ik die opticlimates daar in de hennepkwekerij gezet. Ik ben daar 6 keer geweest, 3 keer per ruimte.
V: Wat heb je hiervoor gekregen, die 6 keer?
A: € 1.200,-- plus € 250 voor het sjouwen van de opticlimates.
V: Waar heb je nog meer geld voor gekregen?
A: € 600,-- bij die kwekerij van [mededader] op [adres 3] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 29 november 2017 in de zaak met parketnummer 18/750014-16 veroordeeld ter zake onder meer het meermalen medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 lid 3 en Pro 5 van de Opiumwet.
Op grond van de inhoud van bovengenoemde wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank neemt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, in aanmerking de door veroordeelde op 11 februari 2016 tegenover de politie afgelegde verklaring. Veroordeelde heeft blijkens deze verklaring voor zijn hand- en spandiensten de navolgende vergoedingen ontvangen:
[adres 1] : € 600,--
[adres 2] : € 1.450,--
[adres 3] : € 600,--
=======
Totaal € 2.650,--
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 2.650,-- voordeel heeft genoten.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.650,--.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 2.650,-- (zegge: tweeduizendzeshonderdvijftig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en
mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2019.
Mr. Koelman is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.