Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[Y] ,
[Z],
Rechtbank Noord-Nederland
Partijen sloten een huurovereenkomst voor een woning gelegen op het hippisch bungalowpark '[A]'. De verhuurder stelde dat het ging om een bedrijfswoning en dat de huurovereenkomst onder het regime van bedrijfsruimte viel, terwijl de huurder betwistte dat het een bedrijfswoning betrof en stelde dat het woonruimtehuurrecht van toepassing was.
De kantonrechter oordeelde dat de woning niet als afhankelijke bedrijfswoning kan worden aangemerkt omdat deze zelfstandig te gebruiken is en geen directe functionele relatie met de bedrijfsruimte (stallencomplex) heeft. De woning valt daarom onder het woonruimtehuurregime ex artikel 7:230 BW Pro. Omdat de huurder de woning na afloop van de bepaalde tijd bleef gebruiken, ontstond een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De verhuurder stelde dat de huurder tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen, waaronder toezicht en beheer van het bungalowpark, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De huurder leverde verklaringen waaruit blijkt dat hij zijn verplichtingen naar behoren zou zijn nagekomen. De kantonrechter stelde vast dat de verhuurder zijn stellingen onvoldoende had gemotiveerd en dat de huurder de betwiste feiten gemotiveerd had weersproken.
Daarom wees de kantonrechter de vorderingen van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning, schadevergoeding en incassokosten af. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten ten gunste van de huurder.
Uitkomst: De vorderingen van de verhuurder tot beëindiging en ontruiming van de huurovereenkomst worden afgewezen.