ECLI:NL:RBNNE:2019:5959

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 oktober 2019
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
LEE 19/2749
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht

Eiser heeft op 26 juli 2019 beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij het instellen van beroep griffierecht worden betaald. De griffier heeft eiser op 31 juli 2019 en opnieuw op 29 augustus 2019 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling binnen een gestelde termijn.

Eiser heeft het griffierecht niet binnen de termijn voldaan. De rechtbank heeft daarom het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, Awb niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen sprake van een verontschuldigbare reden voor het niet betalen van het griffierecht.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Bastin op 10 oktober 2019 en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/2749

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

AWB192749
Op 26 juli 2019 heeft eiser tegen het besluit op bezwaar van verweerder van beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41,
tweede lid, van de Awb € 174,--. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. Bij brief van 31 juli 2019 heeft de griffier eiser gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en hem meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan.
4. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 29 augustus 2019 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief.
5. Het griffierecht is niet op tijd betaald.
6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van J.J. Volkerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.
De griffier, De rechter,
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.