De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor verduistering en valsheid in geschrift gepleegd in haar hoedanigheid als bewindvoerder over een periode van 1 januari 2013 tot en met 15 mei 2017. Verdachte heeft zich wederrechtelijk een geldbedrag tussen 40.000 en 60.000 euro toegeëigend van de benadeelde partij, een vriendin van haar, en heeft in de overzichten die zij aan de rechtbank moest overleggen onjuiste bedragen vermeld om deze in overeenstemming te brengen met de eindsaldi op bankafschriften.
De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede vanwege de duidelijke bekentenis van verdachte en diverse bewijsstukken zoals verklaringen, proces-verbalen en schriftelijke overzichten. De rechtbank stelde de pleegperiode vast vanaf 1 januari 2013, omdat vanaf dat moment grotere bedragen werden gepind en verdachte zelf aangaf dat het vanaf november 2013 structureel werd.
De strafmotivering hield rekening met de aard en ernst van de feiten, het misbruik van vertrouwen, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar leeftijd en gezondheid, en de vaststellingsovereenkomst met een betalingsregeling. De rechtbank legde een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur op, met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de betalingsregeling wordt nageleefd en er geen executoriale titel is overeengekomen. De rechtbank bepaalde dat de kosten door partijen zelf gedragen worden.