ECLI:NL:RBNNE:2020:1109
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Zorgkantoor kan onverschuldigde betaling niet verhalen op wettelijke vertegenwoordiger, wel onrechtmatig handelen
De zaak betreft een vordering van Zorgkantoor tegen de wettelijke vertegenwoordiger van een destijds minderjarige, betreffende terugvordering van onverschuldigd betaalde persoonsgebonden budgetten (pgb) over 2013 en 2014.
Zorgkantoor stelde dat de vertegenwoordiger onvoldoende verantwoording had afgelegd over de besteding van de pgb-gelden en dat de uitkeringen onverschuldigd waren betaald. De wettelijke vertegenwoordiger voerde aan dat de meerderjarige zelf had moeten worden aangesproken en dat er geen sprake was van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen.
De rechtbank oordeelde dat Zorgkantoor de vordering wegens onverschuldigde betaling niet op de wettelijke vertegenwoordiger kan baseren nu de meerderjarige bij dagvaarding al meerderjarig was. De vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen omdat het enkel besteden van pgb-gelden aan zorg door de vertegenwoordiger niet automatisch verrijking oplevert. Wel werd geoordeeld dat de wettelijke vertegenwoordiger onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende zorgvuldigheid in acht te nemen bij de verantwoording, waardoor de vordering op die grond toewijsbaar is.
De rechtbank bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde de wettelijke vertegenwoordiger tot betaling van € 500,- met rente en kosten, en in de kosten van de verzetprocedure.
Uitkomst: De wettelijke vertegenwoordiger wordt veroordeeld tot betaling wegens onrechtmatig handelen, maar niet wegens onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.