ECLI:NL:RBNNE:2020:1400
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €4.500
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 26 maart 2020 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Deze vordering volgde op een eerdere veroordeling van veroordeelde wegens meervoudige oplichting en het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk.
De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €12.000 gevorderd, maar na overleg met de verdediging werd overeenstemming bereikt over een bedrag van €4.500. De rechtbank stelde dit bedrag vast en legde aan veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen.
Daarnaast bepaalde de rechtbank de maximale duur van de gijzeling op 180 dagen, conform het nieuwe elfde lid van artikel 36e Sr en artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Veroordeelde was niet aanwezig bij de zitting, maar de ontnemingsschikking was reeds getroffen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij de rechters L.W. Janssen, H.J. Schuth en S. Zwarts betrokken waren.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €4.500 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.