ECLI:NL:RBNNE:2020:1400

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
26 maart 2020
Zaaknummer
18/830253-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €4.500

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 26 maart 2020 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Deze vordering volgde op een eerdere veroordeling van veroordeelde wegens meervoudige oplichting en het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk.

De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €12.000 gevorderd, maar na overleg met de verdediging werd overeenstemming bereikt over een bedrag van €4.500. De rechtbank stelde dit bedrag vast en legde aan veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen.

Daarnaast bepaalde de rechtbank de maximale duur van de gijzeling op 180 dagen, conform het nieuwe elfde lid van artikel 36e Sr en artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Veroordeelde was niet aanwezig bij de zitting, maar de ontnemingsschikking was reeds getroffen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij de rechters L.W. Janssen, H.J. Schuth en S. Zwarts betrokken waren.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €4.500 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
Parketnummer: 18/830253-17 (ontneming)
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 26 maart 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats],
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 6 november 2019 bij de rechtbank Noord-Nederland schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) van veroordeelde wordt geschat en aan hem de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.000,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830253-17 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op 14 april 2019 is veroordeelde door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland in de onderliggende strafzaak veroordeeld wegens oplichting, meermalen gepleegd en het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk, meermalen gepleegd.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 28 november 2019 het onderzoek in de ontnemingszaak aangehouden voor onbepaalde tijd voor nader onderzoek (onder meer het uitwisselen van schriftelijke standpunten).
Het onderzoek is vervolgens hervat ter terechtzitting van 12 maart 2020. Veroordeelde is niet verschenen. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.
Voorafgaand aan deze zitting heeft de officier van justitie aan de rechtbank laten weten dat inmiddels een ontnemingsschikking met veroordeelde is getroffen.

Beoordeling

De rechtbank heeft geconstateerd dat niet wordt betwist dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van een of meer strafbare feiten en dat de officier van justitie en de verdediging tot overeenstemming zijn gekomen over de hoogte van het te ontnemen bedrag.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op
€ 4.500,00, met een betalingsverplichting voor datzelfde bedrag.
De rechtbank ziet, nu partijen zulks zijn overeengekomen, geen aanleiding af te wijken en zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot een bedrag van € 4.500,00.
De rechtbank overweegt daarnaast dat met ingang van 1 januari 2020 het nieuwe elfde lid van artikel 36e Sr direct van toepassing is verklaard. De rechtbank zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 4.500,00;
- legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 4.500,00, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 maart 2020.