ECLI:NL:RBNNE:2020:152

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
16 januari 2020
Zaaknummer
18/830167-19 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens witwassen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 januari 2020 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat de veroordeelde een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou betalen. De vordering betrof een bedrag van oorspronkelijk €64.408, dat later werd beperkt tot €53.008. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor witwassen, maar de rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ook kan voortkomen uit andere strafbare feiten die tot het voordeel hebben geleid.

De rechtbank baseerde haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een kasopstelling en het rapport van de politie Noord-Nederland, waarin de contante uitgaven werden afgezet tegen de legale inkomsten. Dit leidde tot een geschat voordeel van €53.008. Er werd rekening gehouden met diverse posten zoals contante uitgaven, aankoop van voertuigen, leasekosten, reizen en aangetroffen contant geld.

De rechtbank vond voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde over een langere periode wederrechtelijk voordeel had verkregen dan alleen de bewezenverklaarde periode van het witwassen. Het bedrag van €14.335 aan reeds verbeurd verklaarde en in beslag genomen gelden werd in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting op €38.673 werd vastgesteld.

Tot slot bepaalde de rechtbank de maximale duur van de gijzeling op 180 dagen en wees de vordering van de officier van justitie toe zoals verzocht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €38.673 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830167-19
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats],
thans gedetineerd te P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 13 november 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 64.408,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830167-19 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter terechtzitting van 13 december 2019 heeft de officier van justitie de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt tot een bedrag van € 53.008,-.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 december 2019.

Beoordeling

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, nu de raadsman in de hoofdzaak heeft gepleit voor vrijspraak ten aanzien van het witwassen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5000,-.
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 17 januari 2020 veroordeeld voor (onder andere) het witwassen van diverse geldbedragen, een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) wederrechtelijk verkregen voordeel zijn. In artikel 36e, derde lid, Sr is echter bepaald dat wederrechtelijk verkregen voordeel ook kan worden ontnomen indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e, derde lid, Sr stelt geen eisen aan de aard of de ernst van deze andere strafbare feiten die tot het voordeel hebben geleid. Bij gebrek aan legale inkomsten en bij gebrek aan enig andersluidende verklaring van de veroordeelde, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij zijn uitgaven enkel heeft kunnen doen met geld dat hij door middel van strafbare feiten tot zijn beschikking had. De rechtbank zal het voordeel schatten op grond van het bepaalde in artikel 36e, derde lid, Sr.
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank zich gebaseerd op het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art. 36e Wetboek van Strafrecht” van 10 november 2019, opgemaakt door de politie Noord-Nederland (hierna: het ontnemingsrapport). De berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich op de contante uitgaven/bestedingen die door de veroordeelde zijn gedaan in relatie tot zijn legale contante inkomsten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak is berekend aan de hand van een kasopstelling.
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 53.008,- heeft verkregen. De rechtbank ontleent deze schatting aan het "proces-verbaal onderzoek geldstromen [veroordeelde]" van 23 oktober 2019 en aan het "overzicht wederrechtelijk verkregen voordeel", zoals overgelegd door de officier van justitie ter terechtzitting van 13 december 2019. De rechtbank is van oordeel dat er op basis van deze stukken voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde over een langere periode wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit witwassen dan de in het vonnis bewezenverklaarde periode van feit 3 primair.
Blijkens het ter zitting overgelegde "overzicht wederrechtelijk verkregen voordeel", gaat de officier ervan uit dat het onverklaarbaar vermogen in 'scenario A' de in de woning van veroordeelde aangetroffen geldbedragen van € 13.410,- en € 850,- wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in de woning van veroordeelde aangetroffen geldbedrag van € 850,- geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. De rechtbank neemt de post 'contanten doorzoekingen' ter hoogte van € 850,- dan ook mee in groep 3 van onderstaande berekening.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Groep 1 (vanaf 1-1-2014)
Saldo contanten € 2.690
Groep 2 (vanaf 1-1-2016)
Nibud woonruimte PM
Nibud energie PM
Nibud vervoer (2014-2105) -
Nibud benzine (2017-2019) PM
Nibud kleding € 2.061
Nibud inventaris € 3.156
Nibud vrije tijd € 2.926
Nibud huishoudelijk €10.464
Nibud diversen € 636 -/-
Nibud onbekend
€ 362-/-
€ 17.609
Groep 3 (vanaf 1-1-2014)
Aankoop Ford Focus € 300
Aankoop Volkswagen Passat € 300
Lease Mercedes (6 x € 725 + € 715 =) € 5.065
Lease Audi A3 € 9.925
Reis Gran Canaria € 2.859
Gevonden geld € 13.410
Contanten doorzoekingen € 850
Drugs
PM
€ 32.709

Onverklaarbaar vermogen € 53.008

Onder de veroordeelde zijn geldbedragen van € 850,- en € 75,- in beslag genomen. Tevens is conservatoir beslag gelegd op een geldbedrag van € 13.410,- Deze bedragen zijn in het vonnis van de hoofdzaak van 17 januari 2020 verbeurd verklaard. De rechtbank zal een bedrag van € 14.335,- in mindering brengen op de verplichting tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 53.008,- (drieënvijftigduizend en acht euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 38.673,- (zegge: achtendertigduizend zeshonderd drieënzeventig euro)
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H.R. Bracht, voorzitter, mr. H.J. Schuth en
mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2020.
Mr. Baluah is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.