De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige, waarbij de hoofdverblijfplaats feitelijk zou wijzigen naar de vader. De minderjarige verbleef sinds februari 2020 bij de vader en had geen contact meer met de moeder, waarbij sprake was van ernstige spanningen en gedragsproblemen.
De GI stelde dat de 7-om-7-regeling onhoudbaar was vanwege de onrust en het gedrag van de minderjarige bij de moeder. De vader en de minderjarige zelf gaven aan dat de rust bij de vader beter was en dat de minderjarige meer tijd bij de vader wilde doorbrengen. De moeder erkende de problematiek maar vreesde dat het contact met haar verder zou verslechteren.
De rechtbank oordeelde dat wijziging van de hoofdverblijfplaats formeel niet mogelijk is via een zorgwijzigingsverzoek, maar dat het verzoek gezien de instemming van alle partijen als een machtiging tot uithuisplaatsing moest worden opgevat. De machtiging werd verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 24 maart 2021. De rechtbank benadrukte het belang van continuering van hulpverlening, monitoring door de GI en het stimuleren van contact tussen de minderjarige en de moeder.
Een psychologisch onderzoek naar de ouders werd niet bevolen vanwege de beperkte toegevoegde waarde en de belasting voor de minderjarige. De rechtbank wees een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af omdat de beslissing overeenkwam met de wens van de minderjarige.