Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding d.d. 2 april 2020,
- de aanvullende producties van Beauvast,
- de producties van [gedaagden] ,
- de pleitnotities van Beauvast,
- de pleitnotities van [gedaagden] ,
- de mondelinge behandeling d.d. 9 april 2020, die in verband met de Coronacrisis door middel van videohoren heeft plaatsgevonden, waarbij aan de zijde van Beauvast haar (indirect) directeur [naam 1] (hierna: [naam 1] ) alsmede haar advocaten zijn verschenen en waarbij aan de zijde van [gedaagden] zijn advocaat is verschenen.
2.De feiten
3.De vordering
4.De standpunten van partijen
Standpunt Beauvast
5.De beoordeling
onmiskenbaarsprake is van misbruik door [gedaagden] van zijn bevoegdheid tot het maken/handhaven van bezwaar. Voorshands is onvoldoende komen vast te staan dat [gedaagden] zijn bezwaar slechts heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij van tevoren duidelijk de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze evident geen kans van slagen zouden hebben. Weliswaar geeft [naam 2] in zijn overgelegde schriftelijke verklaring aan dat [gedaagden] tegenover hem heeft erkend dat hij het bezwaar alleen maar heeft ingediend om (de bestuurder van) Beauvast dwars te zitten, maar zijn verklaring is op dit punt door [gedaagden] uitdrukkelijk betwist, waardoor in zoverre niet vooruit kan worden gelopen op de uitkomst van een bodemprocedure.