De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 20 april 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, een man met een bipolaire I stoornis die herstellende is van een vierde ernstige manisch-psychotische episode.
Betrokkene gaf aan stabiel te functioneren en was bezig met werkuitbreiding. Zijn advocate voerde aan dat het verzoek feitelijk neerkomt op een voorwaardelijke machtiging zoals onder de oude Wet Bopz, die de Wvggz niet kent, en pleitte voor afwijzing of een meer proportionele zorgverlening. De zorgverantwoordelijke en vader van betrokkene onderschreven het belang van zorg, waarbij opname alleen in uiterste gevallen noodzakelijk is.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan een ernstige psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en verplichte zorg is evenredig en effectief. De discrepantie tussen zorgplan en verzoekschrift werd toegelicht, waarbij het zorgplan als uitgangspunt geldt.
De rechtbank wees het verweer van de advocate af en benadrukte dat de Wvggz geen voorwaardelijke machtiging kent. De zorgmachtiging werd toegekend voor zes maanden, met specifieke beperkingen en opname in een accommodatie als ultimum remedium. De beschikking werd op 20 april 2020 mondeling gegeven en op 28 april schriftelijk vastgesteld.