Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 juni 2020 in de zaak tussen
de ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
acte clairof van een
acte éclairé, maar dat niet voldoende twijfel over de uitleg van het Unierecht bestaat om het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te rechtvaardigen. Daarom zal de rechtbank zelf beslissen over de rechtsvraag die hier voorligt.
Kamerstukken II2014/15, 34 002, nr. 3, p. 36 en
Kamerstukken II2014/15, 34 002, nr. 10, p. 111).
Kamerstukken II2014/15, 34 002, nr. 3, p. 77):
dat het beginsel van fiscale neutraliteit – in het licht van het doel van de betaling van rente op btw-overschotten die door een lidstaat in strijd met het Unierecht zijn ingehouden, dat erin bestaat de financiële verliezen te compenseren die de belastingplichtige heeft geleden
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de rentevergoeding op grond van artikel 28c van de Invorderingswet vast op een bedrag van € 252.852, te vermeerderen met enkelvoudig berekende rente te rekenen vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag van voldoening, tegen het voor die tijdvakken geldende rentepercentage voor de berekening van de invorderingsrente;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 655,50.