AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bevoegdheid voorzieningenrechter bij voornemen afwijzing handhavingsverzoek Wnb
Verzoekers dienden een verzoek om handhaving in op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) tegen een vergunninghouder. Het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân maakte vervolgens kenbaar voornemens te zijn het handhavingsverzoek af te wijzen. Verzoekers reageerden hierop met een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter onderzocht zijn bevoegdheid om op het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen. Uit de brief van het college bleek dat het slechts ging om een voornemen tot besluit, dat niet gericht is op rechtsgevolg en daarom niet kwalificeert als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Omdat de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen te treffen is gekoppeld aan een bezwaar of beroep tegen een besluit, kon de voorzieningenrechter niet bevoegd worden geacht. Verzoekers stelden connexiteit aan, maar dit is niet aan de orde zonder een besluit. De voorzieningenrechter wees er op dat de wetgever met artikel 6:12 AwbPro een rechtsgang heeft gecreëerd tegen het uitblijven van een besluit, maar dat dit niet leidt tot bevoegdheid voor voorlopige voorzieningen in deze situatie.
De voorzieningenrechter kon het handelen van het college niet inhoudelijk beoordelen, geen ordemaatregel opleggen en verklaarde zich daarom onbevoegd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen tegen het voornemen tot afwijzing van het handhavingsverzoek.
Uitspraak
fRECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 20/1578
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2020 in de zaak tussen
1.a.[verzoekster], te [plaats], verzoekster sub 1.a.,
1.b. [verzoekster], te [plaats], verzoekster sub 1.b.,
1.c. [verzoeker], te [plaats], verzoeker sub 1.c.,
en
het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder,
(gemachtigde: mr. T. Tuenter).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende]
, te [plaats], vergunninghouder.
Procesverloop
Bij brief van 13 mei 2020 heeft verweerder aan verzoekers kenbaar gemaakt om het door hen ingediende verzoek om handhaving ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) jegens vergunninghouder, af te wijzen.
Tegen deze brief hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers bij brief van 25 mei 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Toepassing is gegeven aan het derde lid van artikel 8:83 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen 1. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers bij brief van 1 mei 2020 een verzoek om handhaving ingevolge de Wnb jegens vergunninghouder bij verweerder hebben ingediend. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder bij brief van 13 mei 2020 aan verzoekers kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn om niet (preventief) handhavend op te treden jegens vergunninghouder.
3. Tegen voormelde brief hebben verzoekers bij brief van 25 mei 2020 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers bij brief van 25 mei 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en een ordemaatregel op te leggen.
4. Zoals door verzoekers terecht is onderkend, dient de voorzieningenrechter eerst te onderzoeken of hij/zij bevoegd is om in een situatie als de onderhavige een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken reiken daartoe voldoende informatie aan. Daarom zal de voorzieningenrechter deze vraag beoordelen zonder verweerder of derde in de gelegenheid te stellen op het verzoek te reageren.
5. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. De voorzieningenrechter constateert met verzoekers dat de brief van 13 mei 2020 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, aangezien het daarin vervatte voornemen niet gericht is op rechtsgevolg. In de brief wordt slechts aangegeven dat verweerder voornemens is een besluit te nemen en wordt de gelegenheid gegeven om zienswijze in te dienen tegen dit voornemen.
Omdat de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in artikel 8:81, eerste lid, Awb uitdrukkelijk is gekoppeld aan een bezwaar of beroep tegen een besluitis de voorzieningenrechter niet bevoegd om het verzoek van verzoekers te beoordelen.
7. De voorzieningenrechter gaat niet mee in de stelling van verzoekers dat er wel sprake is van connexiteit als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Awb omdat er volgens verzoekers wel een bezwaarschrift is ingediend. De vraag of er connexiteit is, of er bezwaar of beroep is ingesteld, komt pas aan de orde als er sprake is van een besluit.
8. Dat er in situaties als de onderhavige waarin, zoals door verzoekers wordt gesteld, een derde gebruik maakt van een omgevingsvergunning, terwijl de benodigde vergunning op basis van de Wnb nog niet is verleend en er nog niet is beslist op een verzoek tot handhaving, geen mogelijkheid is om een voorlopige voorziening te vragen is door de wetgever onderkend en mede daarom heeft de wetgever met artikel 6:12 vanPro de Awb de mogelijkheid gecreëerd om een beroep tegen het uitblijven van een besluit in te dienen. Wanneer daarvan gebruik wordt gemaakt heeft de bestuursrechter verschillende mogelijkheden om het bestuursorgaan te dwingen tijdig een besluit te nemen en is ook het vragen van een voorlopige voorziening niet uitgesloten. Dat deze rechtsingang omslachtiger en tijdrovender is, maakt niet dat de voorzieningenrechter in deze toch bevoegd zou zijn om een voorlopige voorziening te treffen.
9. Nu de voorzieningenrechter niet bevoegd is kan hij het handelen van verweerder niet inhoudelijk beoordelen en kan hij ook geen ordemaatregel opleggen of verweerder manen om tijdig een besluit te nemen.
10. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, zal hij op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb uitspraak doen zonder zitting.
11. Aangezien de voorzieningenrechter ten aanzien van dit verzoek om voorlopige voorziening niet bevoegd is, bestaat er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is gedaan op 28 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier De voorzieningenrechter
(De griffier is buiten staat om
de uitspraak te ondertekenen)
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.