ECLI:NL:RBNNE:2020:2045

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2020
Publicatiedatum
4 juni 2020
Zaaknummer
20/1628 WET
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:81 AwbArt. 2.1 lid 2 Noodverordening COVID-19
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdig beslissen handhavingsverzoek Noodverordening AZC

Verzoekers, een groep asielzoekers en hun echtgenoten, hebben op 30 mei 2020 een verzoek ingediend bij de Veiligheidsregio Fryslân om handhavend op te treden tegen een verwachte overtreding van de Noodverordening COVID-19 binnen een asielzoekerscentrum (AZC). Verweerder heeft dit verzoek op 1 juni 2020 afgewezen. Verzoekers stelden vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 juni 2020 tijdens een zitting die vanwege de coronamaatregelen via Skype plaatsvond. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat inmiddels een besluit was genomen op het handhavingsverzoek, waardoor het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening was komen te vervallen. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af.

Daarnaast overwoog de voorzieningenrechter dat een inhoudelijke beoordeling van het verzoek ook tot afwijzing zou hebben geleid, verwijzend naar een eerder oordeel in een kort geding dat als herhaald en ingelast werd beschouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat inmiddels een besluit is genomen en er geen belang meer is bij voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: 20/1628 WET
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
2 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

1.[verzoeker 1] en zijn echtgenote [A] ,

2.[verzoeker 2] en zijn echtgenote [B] ,

3.[verzoeker 3] en zijn echtgenote [C] ,

4.[verzoeker 4] en zijn echtgenote [D] ,

5.[verzoeker 5] en zijn echtgenote [E] ,

6.[verzoeker 6] en zijn echtgenote [F] ,

7.[verzoeker 7] ,

8.[verzoeker 8] ,

9.[verzoeker 9] ,

10.[verzoeker 10] ,

11.[verzoeker 11] ,

12.[verzoeker 12] ,

13.[verzoeker 13] ,

14.[verzoeker 14] ,

15.[verzoeker 15] ,

16.[verzoeker 16] ,

17.[verzoeker 17] en zijn echtgenote [G] ,

18.[verzoeker 18] ,

19.[verzoeker 19] ,

20.[verzoeker 20] ,

21.[verzoeker 21] ,

22.[verzoeker 22] ,

23.[verzoeker 23] ,

24.[verzoeker 24] ,

25.[verzoeker 25] ,

26.[verzoeker 26] ,

27.[verzoeker 27] ,

28.[verzoeker 28] ,

29.[verzoeker 29] ,

30.[verzoeker 30] ,

31.[verzoeker 31] ,

32.[verzoeker 32] ,

33.[verzoeker 33] ,

34.[verzoeker 34] ,

35.[verzoeker 35] ,

36.[verzoeker 36] ,

37.[verzoeker 37] ,

38.[verzoeker 38] ,

allen verblijvende/wonende te [woon-/verblijfplaats] ,
verzoekers,
gemachtigden: mr. J.D. Nijenhuis en mr. M.A. Jansen,
en
de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân,
verweerder,
gevestigd te Leeuwarden,
gemachtigde: mr. E.F. van der Goot.
Procesverloop
Bij brief van 30 mei 2020 hebben verzoekers verweerder verzocht om (preventief) handhavend op te treden tegen een verwachte overtreding van artikel 2.1 lid 2 van de Noodverordening COVID 19 veiligheidsregio Fryslân van 29 mei 2020.
Verzoekers hebben op 31 mei 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op dit handhavingsverzoek. Deze zaak is geregistreerd onder nummer LEE 20/1629 WET. Daarnaast hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak is geregistreerd onder nummer LEE 20/1628 WET.
De zaak is ter zitting behandeld op 2 juni 2020, samen met het civielrechtelijke kort geding dat verzoekers tegen de Staat der Nederlanden en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers hebben ingediend (zaaknummer C/17/173140 KG ZA 20/110). De zitting heeft in verband met de uitbraak van het coronavirus via Skype plaatsgevonden. Verzoekers [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [F] en [D] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. drs. R.T. Offringa, als jurist werkzaam bij de Veiligheidsregio Fryslân.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan in deze zaak en vonnis gewezen in het kort geding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. Bij besluit van 1 juni 2020 heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden afgewezen.
2. Er is dus inmiddels een reëel besluit genomen. Op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb Pro heeft beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Dat is hier niet zo. In artikel 8:81 lid 4 Awb Pro is artikel 6:20 Awb Pro niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de voorlopige voorzieningsprocedure. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen alleen betrekking heeft op het gestelde niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek. Bij beoordeling daarvan bestaat geen belang meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat een inhoudelijke beoordeling ook had geleid tot afwijzing van het verzoek. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar haar oordeel in kort geding, dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Hoekstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.