De rechtbank Noord-Nederland heeft op 16 juni 2020 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt werd vastgesteld en ontnomen aan de veroordeelde. De hennepkwekerij bestond uit zes ruimtes met in totaal 1510 hennepplanten, met een kweekperiode van juli 2015 tot september 2017 en een kweekcyclus van 10 weken per oogst.
De officier van justitie baseerde de vordering op een rapport met een voorlopige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de totale opbrengst werd berekend op €1.473.269,58. Na aftrek van kosten voor afschrijving, variabele kosten, knipkosten en huisvesting resteerde een bedrag van €1.318.062,49. Dit bedrag werd verdeeld over drie hoofdverdachten, waaronder de veroordeelde, wat resulteerde in een bedrag van €439.354,16 per persoon.
De verdediging ontkende betrokkenheid bij de kwekerij, maar de rechtbank achtte op basis van verklaringen van medeverdachten en het strafdossier voldoende aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen. De rechtbank volgde de berekening van de officier van justitie en legde de verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag aan de staat op.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland en omvatte tevens de bepaling van de duur van gijzeling die kan worden gevorderd bij niet-betaling.