De rechtbank Noord-Nederland heeft op 14 juli 2020 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van het telen van hennep in een kwekerij te Zuidwolde. De officier van justitie had een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van €692.285,00, gebaseerd op het totale voordeel uit de hennepkwekerij.
De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder een rapport van 9 augustus 2018 over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbalen, getuigenverklaringen en het vonnis in de onderliggende strafzaak. Uit het onderzoek bleek dat de hennepkwekerij actief was geweest van augustus 2015 tot juli 2017 met meerdere oogsten. De rechtbank achtte aannemelijk dat veroordeelde vanaf maart 2016 betrokken was en voordeel had genoten van zes oogsten in twee kweekruimtes en één oogst in een derde ruimte.
Op basis van de opbrengst per plant, het aantal planten en de kosten per kweekcyclus werd het netto voordeel berekend op €462.480,85. Aangezien meerdere personen betrokken waren en veroordeelde geen inzicht gaf in de verdeling, werd het voordeel gelijk verdeeld over vijf betrokkenen. Veroordeelde werd aldus verplicht tot betaling van €92.496,17 aan de staat. De rechtbank stelde tevens de maximale gijzelingstermijn vast op 365 dagen.
De vordering van de officier van justitie tot vrijspraak werd door de rechtbank niet gevolgd in de ontnemingszaak, aangezien de ontneming losstaat van de strafrechtelijke uitkomst. De rechtbank oordeelde dat het bewijs voldoende was om het wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan veroordeelde en legde de ontnemingsmaatregel op overeenkomstig artikel 36e Sr.