Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Procesverloop
Standpunt verdediging
Standpunt openbaar ministerie
Oordeel rechtbank
.
Rechtbank Noord-Nederland
In deze zaak is een klaagschrift ingediend tegen het uitblijven van teruggave van onder meer banktegoeden en panden die in beslag zijn genomen in een strafrechtelijke procedure gericht op witwassen en Opiumwetdelicten. Klaagster stelt dat de waarde van het beslag de geschatte omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ruimschoots overstijgt en verzoekt om opheffing van een deel van het beslag, met name de huuropbrengsten van de panden.
De officier van justitie betwist deels het belang van klaagster bij het klaagschrift en stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel minimaal € 2.200.000 bedraagt, waarbij de huuropbrengsten als vervolgprofijt kunnen gelden. De rechtbank constateert dat het dossier onvoldoende gedetailleerde informatie bevat over het beslag en de waardering daarvan, en dat het onderzoek in raadkamer slechts summier kan zijn.
Gezien het ontbreken van onderbouwde berekeningen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de persoonlijke omstandigheden van klaagster, oordeelt de rechtbank dat het beslag op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 moet worden opgeheven en teruggegeven. Voor het overige wordt het klaagschrift afgewezen. De beschikking sluit niet uit dat in een later stadium de huuropbrengsten alsnog als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt.
Uitkomst: Het klaagschrift is gegrond verklaard voor teruggave van de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020, voor het overige ongegrond.