De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 29 juni 2020 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, veroordeeld voor schuldwitwassen. De officier van justitie vorderde een bedrag van €74.243,57, gebaseerd op het witwassen van geld dat werd geïnvesteerd in de oprichting van de beautysalon van veroordeelde.
De verdediging betwistte primair het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel en stelde subsidiair dat niet is gebleken dat veroordeelde enig voordeel heeft genoten, aangezien de bankrekeningen ook werden gevoed met legale gelden en de stortingen van een medeverdachte afkomstig waren. De rechtbank oordeelde dat het bedrag van €74.243,57, dat is gebruikt voor de beautysalon, daadwerkelijk ten voordele van veroordeelde is geweest en stelde dit bedrag vast als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank bepaalde dat veroordeelde en haar medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichting van €74.243,57. Tevens werd de duur van de gijzeling bij niet-betaling vastgesteld op 200 dagen, conform de wettelijke richtlijnen. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen.
De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij één rechter buiten staat was mede te ondertekenen.