Uitspraak
gevestigd te Leiden,
Rechtbank Noord-Nederland
De moeder verzocht de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) die de telefonische contacten met haar kinderen beperkte, geheel vervallen te verklaren. De GI had de aanwijzing gegeven om de belcontacten te beperken tot eenmaal per week, terwijl de omgangsregeling alleen fysiek contact toestond. De moeder stelde dat de aanwijzing onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met het motiverings- en evenredigheidsbeginsel en dat zij geen gelegenheid had gehad tot het geven van een zienswijze.
De GI verdedigde haar bevoegdheid om de schriftelijke aanwijzing te geven, stellende dat de belcontacten losstaan van de fysieke omgang en dat de moeder wel degelijk gelegenheid had gehad haar zienswijze te geven. De rechtbank oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing niet kan afwijken van de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling, zoals bevestigd door het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2018.
Omdat de omgangsregeling alleen fysiek contact toestond en de GI geen bevoegdheid had om telefonische contacten via een schriftelijke aanwijzing te regelen, verklaarde de rechtbank de schriftelijke aanwijzing geheel vervallen. De overige stellingen van partijen werden niet meer behandeld.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing die telefonische contacten beperkt, wordt geheel vervallen verklaard omdat deze in strijd is met de vastgestelde omgangsregeling.