ECLI:NL:RBNNE:2020:3334

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 augustus 2020
Publicatiedatum
29 september 2020
Zaaknummer
C/17/173445/FT RK 20/360 en C/17/173446/FT RK 20/361
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek dwangakkoord en beoordeling wettelijke schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft primair verzocht om een dwangakkoord ex artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen akkoord te gaan met een aangeboden schuldregeling. Subsidiair verzocht hij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

De rechtbank stelt vast dat verzoeker een schuld van €58.783,82 heeft bij 20 schuldeisers, waarvan een deel weigert in te stemmen met het akkoord. Na het aanbod zijn bij de Belastingdienst nieuwe schulden ontstaan, waaronder omzetbelasting waarvoor geen afdracht is gedaan. De Belastingdienst en enkele andere schuldeisers weigeren daarom akkoord te gaan.

De rechtbank beoordeelt dat het verschil in uitkering tussen het minnelijk akkoord en de Wsnp minimaal is. Gezien de nieuwe schulden en het beperkte verschil in resultaat, wordt meer gewicht toegekend aan de waarborgen van de Wsnp, zoals toezicht en sancties. Daarom wordt het verzoek tot dwangakkoord afgewezen. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt bij afzonderlijk vonnis behandeld, waarbij verzoeker wordt verzocht binnen vier weken te laten weten of hij dat verzoek handhaaft.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen; toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummers: C/17/173445/FT RK 20/360
C/17/173446/FT RK 20/361
Vonnis van 12 augustus 2020
in de zaak van
[A],
wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
aan het [adres] ,
hierna: verzoeker,
vertegenwoordigd door dhr. G. Benedictus werkzaam bij Bureau Benedictus,
tegen

1.Belastingdienst,

postbus 100,
(6400 AC) Heerlen,
hierna: de Belastingdienst,
2. de besloten vennootschap
[B] ,
[adres] ,
( [postcode] ) [vestigingsplaats] ,
hierna: [B] ,
3. de besloten vennootschap
Bedrijfswageninbouw B.V.,
postbus 230,
(3830 AE) Leusden,
hierna: Bedrijfswageninbouw,
vertegenwoordigd door Arag Rechtsbijstand,
4. de besloten vennootschap
[C] ,
[adres] ,
( [postcode] ) [vestigingsplaats] ,
hierna: [C] ,
5. de besloten vennootschap
[D] ,
[postadres]
,
hierna: [D] ,
vertegenwoordigd door Atradius Collections B.V.,
6. de besloten vennootschap
Suez Nederland Holding B.V.,
postbus 12347,
(1100 AH) Amsterdam,
hierna: Suez,
vertegenwoordigd door BVCM Incasso,

7.Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB),

postbus 1794,
(8901 CB) Leeuwarden,
Hierna: CJIB,

8.[E]

[E] ,
[postadres]
,
hierna: [E] ,
vertegenwoordigd door De Ruijter & Willems Gerechtsdeurwaarders,

9.Plafond Wereld,

postbus 1152,
(8900 CD) Leeuwarden,
hierna: Plafond Wereld,
vertegenwoordigd door Straetus Incasso Friesland,

10.[F] ,

[adres] ,
( [postcode] ) [vestigingsplaats] ,
hierna: [F] .
hierna gezamenlijk: de schuldeisers,

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft bij verzoekschrift binnengekomen op 18 juni 2020 op de griffie van deze rechtbank primair verzocht de schuldeisers te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling, dit alles als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw). Subsidiair heeft verzoeker verzocht te mogen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2.
Op 26 juni 2020 heeft de rechtbank van [F] bericht ontvangen dat zij alsnog akkoord is gegaan met het aanbod van verzoeker.
1.3.
Op 14 juli 2020 heeft de rechtbank van [E] bericht ontvangen dat hij alsnog akkoord is gegaan met het aanbod van verzoeker.
1.4.
Op 22 juli 2020 heeft de rechtbank namens Plafond Wereld bericht ontvangen dat zij alsnog akkoord is gegaan met het aanbod van verzoeker.
1.5.
Op 21 juli 2020 heeft de rechtbank van de Belastingdienst een verweerschrift ontvangen.
1.6.
Door de maatregelen in verband met coronavirus heeft geen fysieke behandelingszitting plaatsgevonden. Het verzoek ex artikel 287a Fw is gelet op het bovengenoemde telefonisch behandeld op de zitting van 29 juli 2020. Verzoeker en de heer G. Benedictus, werkzaam bij Bureau Benedictus zijn gehoord net als mevrouw R. van der Laan, werkzaam bij de Belastingdienst.
1.7.
Er is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De beoordeling van het verzoek ex artikel 287a Fw

2.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van verzoeker bedraagt € 58.783,82, verdeeld over 20 schuldeisers. De weigerachtige schuldeisers hebben samen een vordering van € 17.687,34. Verzoeker heeft alle bekende schuldeisers bij brief van 10 februari 2020 aangeschreven, waarbij aan de concurrente schuldeisers een percentage van circa 33% en aan de preferente schuldeisers een percentage van circa 65% is aangeboden. Het akkoord houdt – samengevat – in: verzoeker zal gedurende drie jaar zijn afloscapaciteit, vastgesteld volgens de NVVK-norm, sparen. Jaarlijks zal het gespaarde bedrag worden doorbetaald aan de schuldeisers. Bureau Benedictus houdt toezicht op de nakoming van de verplichtingen volgens de schuldregeling en zorgt elk jaar voor een herberekening van de afloscapaciteit. Verzoeker is samenwonend met 2 minderjarige, inwonende kinderen. Verzoeker heeft een klusbedrijf. Verzoeker heeft een spaarcapaciteit van € 734,- per maand.
2.2.
Op de zitting is gebleken dat naast [F] , [E] en Plafondwereld ook Suez, [D] en het CJIB alsnog akkoord zijn gegaan met het aanbod van verzoeker. Hierdoor blijven de Belastingdienst, [B] , Bedrijfswageninbouw en [C] over als weigerachtige schuldeisers. De Belastingdienst heeft schriftelijk verweer gevoerd. De overige weigerachtige schuldeisers hebben niet inhoudelijk gereageerd.
2.3.
Uit het namens de Belastingdienst ingediende verweerschrift volgt - kort samengevat - dat de hoogte van de schuld aan de Belastingdienst inmiddels is gestegen doordat er nieuwe aanslagen zijn opgelegd. Een deel van die aanslagen betreft omzetbelasting. Dit betekent dat verzoeker omzet heeft gemaakt, waarover geen omzetbelasting is afgedragen. Dat is aan andere dingen uitgegeven en de schulden zijn daarmee te kwader trouw ontstaan.
2.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 287a lid 5 Fw wordt een verzoek dwangakkoord toegewezen, als de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Bij de beoordeling van de redelijkheid van een weigering moet onder meer worden gekeken naar de inhoud van het akkoord en de hoogte van de akkoordsom. Daarbij moeten de schuldeisers erop kunnen rekenen dat aan hen het maximaal haalbare is aangeboden, dit alles in het licht van de draagkracht van de schuldenaar. Ook zal beoordeeld moeten worden of de vooruitzichten voor de schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, waarbij de hoogte van het aanbod vergeleken moet worden met de te verwachten hoogte van de uitdeling bij een wettelijke schuldsanering.
2.5.
Op de zitting is door verzoeker erkend dat er na het aanbieden van een schuldregeling aan zijn schuldeisers, bij de Belastingdienst nieuwe schulden zijn ontstaan.
Deze schulden betreffen omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting. De heer G. Benedictus heeft namens verzoeker uitgelegd dat de aanslag omzetbelasting door de nieuwe aangifte van de administrateur van verzoeker aanzienlijk verlaagd zal worden. De aanslag motorrijtuigenbelasting is volgens verzoeker inmiddels betaald. Daarnaast is namens verzoeker voorgesteld om een zakelijk budgetbeheerder aan te stellen om het ontstaan van nieuwe schulden te voorkomen.
2.6.
Bij de beoordeling van de vraag of de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot deze weigering konden komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoeker toegelaten zou worden tot de Wsnp zoals subsidiair verzocht. Tijdens de Wsnp zal gespaard worden volgens nagenoeg hetzelfde systeem als dat wat gehanteerd wordt tijdens de schuldregeling, met dien verstande dat verzoeker in zijn huidige situatie in de Wsnp na 36 maanden een bedrag van € 21.091,- zal hebben gespaard, terwijl hij in de minnelijke regeling op dat moment een bedrag van
€ 21.924,- voor zijn schuldeisers beschikbaar heeft. Bij deze bedragen is rekening gehouden met de kosten van de bewindvoerder en de kosten die voortvloeien uit het minnelijk traject.
Het verschil in resultaat van de wettelijke schuldsanering ten opzichte van het minnelijk traject is naar het oordeel van de rechtbank minimaal te noemen.
2.7.
Nu het verschil in resultaat tussen de minnelijke regeling en de Wsnp niet significant is en verzoeker recent nieuwe schulden heeft laten ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat meer gewicht moet worden toegekend aan de waarborgen die de Wsnp biedt ten opzichte van de minnelijke regeling waar het gaat om het toezicht en de sancties bij het niet nakomen van verplichtingen. Verzoeker heeft bij de Belastingdienst nieuwe schulden laten ontstaan en van haar kan- evenals van de overige weigerachtige schuldeisers- in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid verwacht worden dat zij akkoord gaat met een voorstel dat met minder waarborgen omkleedt is en een verwaarloosbaar hogere uitkomst heeft. De rechtbank zal reeds hierom het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord afwijzen.
2.8.
Nu de primair verzochte dwangregeling wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op dat verzoek zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist. Verzoeker wordt verzocht om de rechtbank binnen vier weken na vandaag te laten weten of hij zijn verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wenst te handhaven.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een bevel op de voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven.
- bepaalt dat in het geval van handhaving van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling daarover bij afzonderlijk vonnis wordt beslist.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op
12 augustus 2020 in het bijzijn van de griffier [1] .
FN: 863