Uitspraak
,
1.Het procesverloop
2.De verdere feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een verzoek van de gezinsvoogdij-instelling (GI) tot opheffing van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen die recent langdurig uit huis geplaatst zijn geweest. De GI motiveert het verzoek met positieve ontwikkelingen in het gezin en het ontbreken van een hulpvraag bij de ouders. De moeder stemt in met het verzoek, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zich hiertegen verzet vanwege de recente uithuisplaatsing en het ontbreken van een vangnet via het wijkteam.
De kinderrechter overweegt dat de grond voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig is. De kinderen hebben langdurig een ontoereikend opvoedingsklimaat ervaren met verwaarlozing en huiselijk geweld. De positieve ontwikkelingen zijn nog te pril en de hulpverlening is recent beëindigd. De ouders staan niet open voor vrijwillige hulpverlening vanuit het wijkteam, wat de rechter zorgelijk acht.
De kinderrechter concludeert dat onvoldoende is onderbouwd dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen zijn weggenomen en dat de ouders niet voldoende vertrouwen wekken om de situatie zonder toezicht te laten. Daarom wordt het verzoek tot opheffing afgewezen. De GI wordt opgedragen de situatie te blijven monitoren en de zaak over te dragen aan het wijkteam voor nazorg na afloop van de ondertoezichtstelling.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende bestendige situatie en gebrek aan hulpvraag bij ouders.