ECLI:NL:RBNNE:2020:3677

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
161435
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing fraudevordering curator Hareko tegen W&T Hart Advies

In deze civiele procedure stond een vordering van de curator van het faillissement van Hareko B.V. tegen W&T Hart Advies B.V. centraal, waarbij sprake was van een fraudevordering. De rechtbank had de curator een bewijsopdracht gegeven om aan te tonen dat er in de periode van 1 januari 2007 tot 30 juni 2017 meer producten waren verkocht dan verantwoord in de administratie van het concern.

De curator zag echter af van bewijslevering, waardoor de rechtbank de vordering onder 5, die betrekking had op de vermeende fraude, volledig afwees. Eerder waren al bindende beslissingen genomen over andere vorderingen, zodat nu het eindvonnis kon worden gewezen.

De curator werd veroordeeld in de kosten van de procedure, vastgesteld op €15.424,00, en tevens in de nakosten van €131,00 plus een additioneel bedrag van €68,00 onder bepaalde voorwaarden. Daarnaast bepaalde de rechtbank dat W&T moet gedogen dat de curator namens W&T factureert met gebruikmaking van het SKAL-certificaat, onder de verplichting tot informatievoorziening.

De overige vorderingen werden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020.

Uitkomst: Fraudevordering afgewezen wegens afzien van bewijslevering; curator veroordeeld in kosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer / rolnummer: C/17/161435 / HA ZA 18-146
Vonnis van 21 oktober 2020 in reconventie (bij vervroeging)
in de zaak van
MR. H.C. LUNTER Q.Q.,
handelend in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HAREKO B.V.,
kantoorhoudende te Drachten,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.J.W. Hemmes te Drachten,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
W&T HART ADVIES B.V.,
gevestigd te Harlingen,
verweerster in reconventie,
advocaten mr. W. Mollema en mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden.
Eiseres in reconventie zal hierna de curator genoemd worden en Hareko B.V. zal met Hareko worden aangeduid. Verweerster in reconventie zal hierna W&T genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure (in reconventie) blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 augustus 2020 waarbij aan de curator een bewijsopdracht is verstrekt,
- het bericht van de curator van 7 september 2020 dat zij afziet van bewijslevering.
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in reconventie

2.1.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken, waaronder haar tussenvonnissen van 15 april 2020 en 19 augustus 2020. De rechtbank neemt over wat zij in deze tussenvonnissen heeft overwogen en beslist.
2.2.
Hareko heeft in reconventie vorderingen ingesteld die door haar zijn genummerd van 3. tot en met 9., waarbij de vordering onder 9. betrekking heeft op de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 15 april 2020 al bindende eindbeslissingen genomen over de vorderingen onder 3., 4., 5. (deels), 6., 7. en 8. Voor een samenvattend overzicht van deze beslissingen wordt verwezen naar rechtsoverweging 9.56. tot en met 9.60. van dat vonnis.
2.3.
De bewijsopdracht heeft betrekking op (een onderdeel van) de vordering onder 5. De rechtbank heeft de curator opgedragen om te bewijzen dat er in het tijdvak van 1 januari 2007 tot 30 juni 2017 aanzienlijk meer 2e klasse producten door het [concern A] zijn verkocht dan verantwoord is in de administratie van het [concern A] en wel in een zodanige omvang dat het gedeelte dat niet in de boeken is verantwoord meer dan puur incidenteel was. Nu de curator afziet van bewijslevering brengt dit mee dat de vordering onder 5. in alle onderdelen zal worden afgewezen. De door Hareko (thans: de curator) gestelde fraude die ten grondslag ligt aan de vordering onder 5. is door het achterwege laten van bewijslevering immers niet vast komen te staan. Nu op alle overige vorderingen (met uitzondering van de kosten) al was beslist, zal thans eindvonnis worden gewezen.
2.4.
De curator zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten zullen, voor zover tot op heden gevallen aan de kant van W&T, worden vastgesteld op een bedrag van € 15.424,00 (4 punten x tarief VIII). De rechtbank heeft bij de berekening van het aantal punten 1,5 punt (in plaats van 2) toegekend aan het pleidooi nu tijdens dezelfde zitting is gepleit in de zaak met zaak-/rolnummer C/17/161131 HA ZA 18-132 en de meeste onderwerpen die tijdens de zitting aan de orde zijn gekomen in beide zaken van belang waren. De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling is toewijsbaar nu daartegen geen verweer is gevoerd.
2.5.
W&T heeft gevorderd om de curator tevens in de nakosten te veroordelen. Deze vordering is toewijsbaar omdat deze kosten zich thans al laten begroten. De vordering zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum te melden. De rechtbank wijst erop dat sinds 1 mei 2018 hogere tarieven gelden dan W&T heeft gevorderd. Nu zij haar eis op dit punt niet heeft vermeerderd zal de rechtbank het voorheen geldende tarief toepassen.

3.De beslissing

De rechtbank:
in reconventie
3.1.
bepaalt dat W&T moet gedogen dat de curator namens W&T aan afnemers factureert met gebruikmaking van het SKAL-certificaat van W&T, onder de gelijktijdige verplichting van de curator om W&T daarover te informeren door toezending van een kopie van de door haar aldus verstuurde facturen;
3.2.
veroordeelt W&T alle nog door W&T uit hoofde van de Erica-locaties te ontvangen gelden van derde partijen, niet zijnde [Beheer A] en haar dochtervennootschappen, binnen zeven dagen na ontvangst (door) te betalen aan de curator, welke bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro indien en voor zover W&T niet binnen zeven dagen na ontvangst van de bedragen van derden deze bedragen heeft doorbetaald aan de curator;
3.3.
veroordeelt de curator in de kosten van geding, voor zover tot op heden aan de kant van W&T gevallen, en stelt deze kosten vast op een bedrag van € 15.424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro hierover indien niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis tot betaling daarvan is overgegaan;
3.4.
veroordeelt de curator in de nakosten en begroot deze kosten op een bedrag van
€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat;
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst de vorderingen voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en mr. T.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020. [1]

Voetnoten

1.fn 698