ECLI:NL:RBNNE:2020:3825

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 november 2020
Publicatiedatum
9 november 2020
Zaaknummer
LEE 20/2922
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.10 WnbArt. 4.2 WnbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom vanwege overtreding Wet natuurbescherming

Verzoeker heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb. Het bezwaar van verzoeker is gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij het primaire besluit is herroepen voor zover het betrekking had op artikel 4.2 Wnb, maar de last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 3.10 Wnb is in stand gelaten.

De voorzieningenrechter constateert dat sprake is van een spoedeisend belang en dat de connexiteitseis is voldaan. De vraag of de werkzaamheden opzettelijk hebben geleid tot beschadiging of vernieling van een dassenburcht vereist een nadere beoordeling die niet in deze voorlopige voorziening kan worden beantwoord. Daarom wordt de behandeling van het onderliggende beroep verwezen naar de meervoudige kamer.

De ecologische rapporten tonen aan dat de werkzaamheden urgent zijn en noodzakelijk om ecologische schade te voorkomen. Verzoeker heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat handhaving noodzakelijk is en heeft geen belemmeringen gesteld om aan de last te voldoen. Gezien het algemeen belang bij handhaving en de duidelijke instructies aan verzoeker, wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 20/2922
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder
(gemachtigden: mr. A.M. Jansen, mr. P. Doldersum en E.P. Westerbeek ).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb.
Bij besluit van 1 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen voor zover dat betrekking heeft op het opleggen van een last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb. Het primaire besluit is voor het overige in stand gelaten. De opgelegde last, de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom zijn bij het bestreden besluit aangepast.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Aan de in dat artikel vervatte connexiteitseis is voldaan, zo wordt vastgesteld. Tevens is sprake van een spoedeisend belang.
2. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
3. Op 23 januari 2020 heeft een toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing geconstateerd dat, zonder dat een melding was gedaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb, kap- en snoeiwerkzaamheden aan een houtwal op een door verzoeker gepacht perceel plaatsvonden. Tevens is vastgesteld dat in de houtwal een dassenburcht aanwezig was. De toezichthouder heeft de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd.
Op 30 januari 2020 is door JM Ecologie in opdracht van verweerder een ecologische beoordeling uitgevoerd naar de effecten van de werkzaamheden bij de dassenburcht. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 4 februari 2020. Op 26 augustus 2020 heeft JM Ecologie nog een nader rapport opgesteld.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker de bij het primaire besluit opgelegde last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb in stand gelaten. De ecologische functionaliteit van de vaste voortplantings- en/of rustplaats van de das dient te worden hersteld op straffe van verbeurte van een dwangsom.
5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken.
6. De das valt (onder meer) onder de bescherming van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Op grond van die bepaling is het verboden om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vast staat dat verweerder geen ontheffing heeft verleend.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vergt – zoals ook ter zitting met partijen is besproken – de beantwoording van de vraag of met de verrichte werkzaamheden sprake is van een beschadigen of vernielen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van Wnb, en of daarmee sprake is van een overtreding en verweerder daarmee terecht en op goede gronden tot handhavend optreden is overgegaan, een nadere beoordeling waarvoor deze procedure zich niet leent. Gelet op het principiële karakter van deze vragen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de behandeling van de aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connexe beroep te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. In die procedure kan ook de vraag worden beantwoord of er sprake is van een 'opzettelijk' beschadigen of vernielen.
De voorzieningenrechter zal dan ook geen toepassing geven aan artikel 8:86 van Pro Awb, maar alleen uitspraak doen op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.
8. Verweerder heeft ecologische rapporten overgelegd waaruit blijkt dat de uit te voeren werkzaamheden urgent zijn. Ter zitting heeft E.P. Westerbeek , ecoloog, namens verweerder hierop nog een nadere toelichting gegeven, onder meer op de noodzaak om snel te handelen. Verzoeker heeft dit standpunt van verweerder onvoldoende gemotiveerd bestreden. Ter zitting bleek ook dat de opgelegde last voor verzoeker duidelijk is; hij weet wat er van hem wordt verwacht. Westerbeek heeft in dit verband nog toegelicht dat ter voorkoming van schade geen graafmachines mogen worden gebruikt, maar handmatig moet worden gegraven. Verzoeker heeft ook geen enkele (financiële) belemmering gesteld om uitvoering te geven aan de last. Mocht het besluit uiteindelijk onrechtmatig blijken te zijn dan kan ook kostenverhaal op verweerder worden gezocht. Onder deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter het belang van verweerder bij handhavend optreden laten prevaleren en beslissen tot afwijzing van het verzoek om het bestreden besluit te schorsen.
9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier, op 9 november 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.