ECLI:NL:RBNNE:2020:3836
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op grond van artikel 27 WWETGC tegen erkenning Belgische verbeurdverklaring
Veroordeelde heeft beroep ingesteld op grond van artikel 27 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC) tegen de erkenning van een Belgische verbeurdverklaring van goederen. Het beroep is tijdig ingediend en de rechtbank Noord-Nederland is bevoegd.
Veroordeelde stelde dat de Belgische autoriteiten niet voortvarend hebben gehandeld door bijna negen jaar te wachten met het verzoek tot tenuitvoerlegging, wat volgens hem het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn schendt zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De officier van justitie betoogde dat de executietermijn nog niet verstreken is en dat veroordeelde geen belang meer heeft bij de goederen omdat deze al aan de staat zijn vervallen.
De rechtbank oordeelde dat de situatie niet vergelijkbaar is met de zaak Assanidze tegen Georgië, waarin detentie onterecht werd verlengd. Hier betreft het een verbeurdverklaring en geen vrijheidsstraf. Het enkele verstrijken van een lange periode binnen de wettelijke termijn leidt niet tot onrechtmatig handelen. Er zijn geen weigeringsgronden en de officier van justitie heeft in redelijkheid tot erkenning kunnen besluiten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de erkenning van de Belgische verbeurdverklaring.