ECLI:NL:RBNNE:2020:3854
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen erkenning en tenuitvoerlegging buitenlandse confiscatiebeslissing
De veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van €2.000.000, opgelegd door het Hof van beroep Antwerpen. De procedure richtte zich vooral op een appartement dat aan de zoon van de veroordeelde toebehoort en waarop conservatoir beslag ligt.
De raadsman voerde aan dat de zoon als belanghebbende bescherming verdient en dat de tenuitvoerlegging onmogelijk zou zijn zolang het klaagschrift van de zoon niet is beslist. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is dat een ander te goeder trouw eigenaar is en dat het beslag moet voortduren totdat op het klaagschrift is beslist. Het verzoek tot aanhouding van de procedure werd afgewezen omdat de rechtbank op de dag van uitspraak ook een eindoordeel over het klaagschrift zal geven.
Daarnaast stelde de raadsman dat de erkenning geweigerd moet worden op grond van de territorialiteitsclausule, omdat strafbare feiten deels in Nederland zijn gepleegd en ontneming volgens Nederlands recht niet zonder meer mogelijk is bij deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelde dat ook in Nederland ontneming kan worden opgelegd voor deelname aan een criminele organisatie en voor het importeren van cocaïne, zoals in het Belgische arrest is vastgesteld.
De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning heeft kunnen besluiten en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.