Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2020:4135

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 augustus 2020
Publicatiedatum
27 november 2020
Zaaknummer
C/18/200231 PR RK 20/229
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken gegronde vrees vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen rechter A. Heidekamp in verband met een vermeende vooringenomenheid, omdat de rechter geen gehoor gaf aan het verzoek zich te verschonen. De aanleiding was een telefoongesprek tussen de griffie en de advocaat van verzoeker, waarin werd besproken dat het beroep volledig was ingewilligd en verzoeker het beroepschrift wilde intrekken. Verzoeker trok het beroepschrift kort daarna in, maar maakte deze intrekking weer ongedaan.

De rechter heeft het wrakingsverzoek afgewezen omdat de feitelijke grondslag volgens hem ontbreekt. Er is geen inhoudelijk oordeel gegeven over het beroepschrift en er zijn geen concrete feiten die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechtbank benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden tot wraking kunnen leiden.

De rechtbank concludeert dat de verschillende interpretaties van het telefoongesprek tussen griffier en advocaat niet leiden tot een gegronde vrees voor partijdigheid. De geplande behandeling van de zaak op 5 augustus 2020 toont aan dat er geen zitting is achtergehouden. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Heidekamp is afgewezen wegens ontbreken van gegronde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Locatie Groningen
Zaaknummer: C/18/200231 / PR RK 20/229
Beslissing van 3 augustus 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[naam],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
bijgestaan door: mr. J.H. Weermeijer,
strekkende tot de wraking van
mr. A. Heidekamp,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van mr. Weermeijer d.d. 30 juli 2020;
- de schriftelijke reactie van de rechter d.d. 30 juli 2020.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummers LEE 19-2951 en 20-826. De behandeling van het beroepschrift in deze zaak is op 5 augustus 2020 gepland.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek van mr. Weermeijer het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Mr. Weermeijer stelt dat hij is gebeld door de griffie met de mededeling dat met de ambtshalve vermindering volledig is tegemoetgekomen aan het beroep en met de vraag of verzoeker zijn beroepschrift in wilde trekken omdat ‘de zaak duidelijk was’. Verzoeker heeft kort daarna het beroepschrift ingetrokken en proceskostenveroordeling verzocht. Op dezelfde dag heeft verzoeker deze intrekking ongedaan gemaakt. Nu de rechter geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek zich te verschonen, is sprake van vooringenomenheid.
2.3
De rechter heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De griffier heeft aangegeven dat contact met mr. Weermeijer is opgenomen, om de stand van zaken te vragen naar aanleiding van de ambtshalve vermindering. Mr. Weermeijer heeft kort daarop te kennen gegeven dat aan het beroep van verzoeker volledig was tegemoet gekomen en dat hij derhalve het beroepschrift wilde intrekken en alleen een 8:75a-verzoek wilde doen in verband met de proceskostenveroordeling. Het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen, nu hetgeen mr. Weermeijer stelt feitelijke grondslag mist. Mocht de lezing van mr. Weermeijer ten aanzien van het gesprek tussen de griffier en mr. Weermeijer worden gevolgd door de rechtbank, dan levert dat ook geen gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid op. In de brief van 20 juli 2020 worden beide partijen gevraagd een standpunt in te nemen. De rechter heeft in verband met de reistijd van partijen overwogen dat een mondelinge behandeling achterwege kon worden gelaten, nu met het inwinnen van deze informatie de standpunten voldoende helder zouden zijn. De rechter heeft (nog) geen oordeel gegeven over de vraag of het beroepschrift al dan niet is ingetrokken. Door verzoeker zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die duiden op het tegendeel.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
De rechtbank stelt vast dat mr. Weermeijer en de griffier een andere lezing hebben van het betreffende telefoongesprek dat naar aanleiding van de ambtshalve vermindering is gevoerd. Wat daar ook van zij, uit het dossier volgt niet dat de rechter reeds een inhoudelijk oordeel over de zaak heeft gegeven, waaronder begrepen het oordeel over de vraag of het beroepschrift al dan niet als ingetrokken dient te worden beschouwd. Dat uiteindelijk is besloten tot het achterwege laten van een zitting is evenmin gebleken, nu is gebleken dat de behandeling van de zaak op 5 augustus 2020 is gepland. De rechtbank is van oordeel dat concrete feiten waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De mondelinge behandeling kan om die reden achterwege blijven.
4. Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aan
mr. A. Heidekamp.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, en mrs. F. de Jong en L. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. B.E. Oosterhout, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2020.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.