De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €228.755,00 wegens hennepteelt door veroordeelde in de periode 2016-2018. De verdediging betwistte het aantal oogsten en de omvang van het voordeel, stellende dat onvoldoende bewijs was voor meerdere oogsten en dat het onverklaarde vermogen niet automatisch duidt op opbrengsten uit hennepteelt.
De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van de politie over de hennepkwekerij, indicaties van meerdere oogsten zoals verouderde apparatuur en vervuilde filters, en financieel onderzoek waaruit bleek dat veroordeelde valse facturen had opgemaakt en over een contante geldstroom beschikte die niet uit legale bronnen kon worden verklaard.
De rechtbank verwierp de verklaring van veroordeelde dat hij de apparatuur tweedehands had gekocht zonder concrete onderbouwing. Tevens werd rekening gehouden met de betaling van een Enexis-factuur voor illegale elektriciteit, die in mindering werd gebracht op het totaalbedrag. Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €227.291,65 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen.
De beslissing werd genomen conform artikel 36e Wetboek van Strafrecht, en de duur van gijzeling bij niet-betaling werd vastgesteld op maximaal 365 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 4 februari 2020.