Op 16 oktober 2020 diende verzoeker een wrakingsverzoek in bij de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van een rechter in een zaak waarin verzoeker verzet zou hebben ingesteld tegen een verstekvonnis van 12 februari 2020.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek zonder mondelinge behandeling en concludeerde dat verzoeker geen verzet had ingesteld tegen het verstekvonnis, zodat er geen aanhangige zaak was waarop het wrakingsverzoek betrekking kon hebben. Een wraking op voorhand van een rechterlijk college is volgens artikel 36 RvPro niet mogelijk.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk en vond geen verdere behandeling plaats. De beslissing werd op 28 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangige zaak.
Uitspraak
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen Wrakingskamer
Zaaknummer: C/19/13331 / KG RK 20-214
Beslissing van 28 oktober 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, inzake het door
[naam] ,
[adres] ,
[woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] .
ingediende verzoek strekkende tot wraking.
1.De procedure
1.1.
Op 16 oktober 2020 is ter griffie een brief met daarin een wrakingsverzoek binnengekomen, afkomstig van [verzoeker] .
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het navolgende, afgezien van een mondelinge behandeling en heeft bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.
2. De feitenl
2.1.
Op 12 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter v.ap·dèzrr echtbank in de zaak met zaaknummer C/19 / 1 29290/KG ZA 19-190 [verzoeker] bij.v,erstek veroordeeld.
3.De beoordeling
3.1.
Ingevolge artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
In haar brief heeft [verzoeker] het volgende vermeld: "betreft; verzet tegen besluit van 12 febr zaak nr C19/129290, KG ZA 191190".Vervolgens schrijft [verzoeker] : "Ik wraak de rechter in opgemelde zaak(...).De wrakingskamer leidt hieruit af dat het wrakingsverzoek van [verzoeker] zich richt tegen de rechter die het verzet tegen het verstekvonnis behandelt of zal gaan behandelen.
3.3.
Uit navraag bij de griffie is gebleken dat, anders dan de brief van [verzoeker] doet vermoeden, [verzoeker] geen verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 12 februari 2020. Het wrakingsverzoek is dan ook niet gericht op een zaak die bij deze rechtbank aanhangig is, laat
staan op een rechter die die zaak zou behandelen. Het wrakingsverzoek van [verzoeker] lijkt eerder op een wraking op voorhand van een rechterlijk college. Dit is, gelet op artikel 36 RvPro, niet mogelijk.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat [verzoeker] kennelijk niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan daarom achterwege blijven.
3.Beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.W. van Weringh, voorzitter, mr. A. van der Meer en
mr. J.S. Bartstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 oktoberber 2020.