De rechtbank Noord-Nederland behandelde een zaak over de omgang van minderjarige kinderen met hun moeder, waarbij de kinderen sinds anderhalf jaar geen contact hadden met haar. Na onderzoek en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en gesprekken met de kinderen concludeerde de rechtbank dat het contact met de moeder niet schadelijk is en juist belangrijk is voor hun identiteitsontwikkeling.
De man, bij wie de kinderen wonen, toonde tegenstrijdig gedrag: hij verklaarde meewerkend te zijn, maar werkte in de praktijk niet mee aan de omgangsregeling en had de kinderen niet geïnformeerd over het onderzoek van de RvdK. De kinderen gaven aan geen contact met hun moeder te willen, maar dit werd door de rechtbank toegeschreven aan loyaliteit aan de vader en een onveilige omgeving om hun wensen vrij te uiten.
De rechtbank volgde het advies van de RvdK om begeleide omgang via het BOCS-traject bij het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (KKE) te starten. Daarbij werd bepaald dat de partner van de moeder zich niet in de nabijheid van de omgang mag bevinden en dat de grootmoeder de kinderen kan brengen en halen. De rechtbank stelde een termijn van drie maanden voor een evaluatie en verzocht het KKE om rapportages over het verloop van het traject.
Daarnaast werd de man verplicht om de vrouw eens per drie maanden schriftelijk te informeren over belangrijke zaken betreffende de kinderen, zoals gezondheid en schoolvorderingen, inclusief recente foto's. De beslissing over de omgang werd aangehouden in afwachting van het verloop van het begeleidingsproces en eventuele verdere behandeling.