In deze civiele zaak vordert Stichting Inlia een verklaring voor recht dat EcoVario bedrog, wanprestatie en onrechtmatige daad heeft gepleegd bij de uitvoering van een overeenkomst voor de realisatie van noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Inlia stelt dat EcoVario onjuiste informatie heeft verstrekt en belangrijke feiten heeft verzwegen om de overeenkomst te sluiten.
De rechtbank oordeelt dat Inlia onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake was van bedrog voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in oktober 2016. De stellingen over onjuiste mededelingen en verzwegen feiten betreffen feiten die pas na het sluiten van de overeenkomst bekend werden. Daarom wordt de vordering tot bedrog afgewezen.
Ten aanzien van wanprestatie en onrechtmatige daad stelt de rechtbank vast dat EcoVario mogelijk tekort is geschoten door niet te voldoen aan haar verplichtingen, met name doordat zij mogelijk wist of behoorde te weten dat de realisatie van de noodopvang niet tijdig en conform afspraak mogelijk was, maar dit niet aan Inlia heeft gemeld. De rechtbank staat bewijslevering toe over deze punten en houdt de beslissing aan. Ook de stellingen over onrechtmatige daad worden deels aangehouden voor bewijslevering.
De rechtbank wijst erop dat voor toewijzing van schadevergoeding moet komen vast te staan dat EcoVario op enig moment wist of behoorde te weten dat Inlia kosten maakte terwijl de realisatie niet zonder tekortkoming mogelijk was. De zaak wordt verwezen naar nader bewijs en getuigenverhoor onder leiding van rechter-commissaris Huizinga.