ECLI:NL:RBNNE:2020:730

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2020
Publicatiedatum
18 februari 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1465
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 26a AWRArt. 6:20 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen legesaanslag op naam partner wegens gebrek aan belang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een legesaanslag opgelegd aan zijn partner. Tijdens de zitting op 12 februari 2020 was eiser niet aanwezig. De rechtbank overweegt dat verweerder het bezwaar van eiser reeds niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat eiser geen belanghebbende is om beroep in te stellen tegen de aanslag die op naam van zijn partner staat.

De rechtbank baseert dit op artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat bepaalt dat alleen de belanghebbende aan wie de aanslag is opgelegd beroep kan instellen. Hierdoor is het beroep van eiser niet-ontvankelijk. Tevens wordt het beroep op dwangsommen afgewezen omdat eiser geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op dwangsommen.

De rechtbank wijst erop dat de partner zelf bezwaar en beroep heeft ingesteld in een aparte procedure. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is mondeling gedaan en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep op dwangsommen wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen belanghebbende is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/1465
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Emmen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Eiser heeft een beroep wegens het niet tijdig doen van uitspraak op zijn bezwaarschrift tegen de legesaanslag opgelegd aan [partner eiser] en de rechtbank verzocht om dwangsommen vast te stellen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep dat ziet op de dwangsom ongegrond;
- verklaart de overige beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt dat verweerder hangende het beroep - bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2019 - het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het vorenstaande houdt in dat nu verweerder uitspraak heeft gedaan, eiser geen belang meer heeft bij voortzetting van deze procedure. De rechtbank zal het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig beslissen dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal wel beoordelen of zij verweerder zal veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van het besluit.
2. De rechtbank overweegt verder dat op grond van de feiten ambtshalve eerst de vraag dient te worden beantwoord of eiser gerechtigd was om beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar tegen de onderhavige legesaanslag gericht aan [naam partner] , de partner van eiser (hierna: de partner).
3. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: awb), voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij de bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken. Volgens artikel 8:1 van Pro de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
4. De rechtbank overweegt dat de vraag of eiser belanghebbende is in de zin van artikel 8:1 van Pro de Awb in dit geval wordt beantwoord door artikel 26a, eerste lid, onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In dit artikel is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1 van Pro de Awb, het beroep slechts kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd.
5. Het voorgaande houdt in dat uitsluitend de partner gerechtigd is om bezwaar te maken tegen de legesaanslag en desgewenst beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar, dan wel beroep in te stellen tegen het niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar tegen de onderhavige legesaanslag. Eiser is op grond van de genoemde wetsartikelen in onderlinge samenhang bezien niet gerechtigd om beroep - en bezwaar - in te stellen.
6. Volgens artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede betrekking te hebben op de inmiddels door verweerder gedane uitspraak op bezwaar van 16 mei 2019. Gelet echter op hetgeen de rechtbank heeft overwogen bij 5. komt zij hier niet aan toe, eiser is immers niet gerechtigd om beroep in te stellen en daarom niet-ontvankelijk in dit beroep.
7. De rechtbank overweegt dat ook in gevallen waarin bezwaar is gemaakt door een onbevoegde daarop tijdig dient te worden beslist. Beslist in dit geval verweerder niet tijdig, dan kan ook in dit geval eiser daar op grond van artikel 6:12 Awb Pro tegen op komen. Het voorgaande houdt echter niet in dat verweerder ook een dwangsom heeft verbeurd. De rechtbank wijst eiser op artikel 4:17, zesde lid van de Awb waarin is bepaald dat er geen dwangsom verschuldigd is, indien de aanvrager geen belanghebbende is. Deze beroepsgrond faalt.
8. Het voorgaande heeft de rechtbank geleid tot het oordeel om de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep dat ziet op de dwangsom ongegrond te verklaren.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat eiser en zijn gemachtigde ervan op de hoogte zijn dat in een afzonderlijke procedure de partner zelf ook bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de onderhavige legesaanslag.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is op 12 februari 2020 gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Flik, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.
w.g. griffier
w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.