ECLI:NL:RBNNE:2020:913
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Herroeping resterende voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet naleven voorwaarden
Veroordeelde was voorwaardelijk in vrijheid gesteld voor een totale periode van 270 dagen in verband met twee opgelegde gevangenisstraffen. Eerder was reeds een deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 120 dagen herroepen, maar veroordeelde had deze straf nog niet ondergaan.
De officier van justitie vorderde de herroeping van de resterende 150 dagen wegens het niet melden bij de reclassering en het niet nakomen van de voorwaarden. De rechtbank verklaarde een eerdere vordering van het OM tot herroeping niet-ontvankelijk, maar in deze zaak is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat de vordering ontvankelijk is en dat de herroeping van het resterende deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling gerechtvaardigd is omdat veroordeelde sinds juli 2019 geen contact meer heeft met de reclassering en niet is verschenen op afspraken.
De rechtbank wijst het verweer van de raadsman af dat een vordering tot uitstel of afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling had moeten worden gedaan. De wettelijke regeling laat toe dat een nieuwe vordering tot herroeping wordt ingediend zolang het herroepen deel nog niet is ondergaan.
De rechtbank gelast dat veroordeelde de resterende 150 dagen gevangenisstraf alsnog moet ondergaan.
Uitkomst: De rechtbank gelast de herroeping van de resterende 150 dagen voorwaardelijke invrijheidstelling en veroordeelde moet deze straf alsnog ondergaan.