ECLI:NL:RBNNE:2020:929

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
8208260
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:59 BWArt. 7:60 BWArt. 7:61 BWArt. 4:34 WftArt. 7:77 lid 1 sub c onder 1 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot betaling op grond van kredietovereenkomst met correcte naleving informatieverplichtingen

InterBank N.V. heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij tot betaling van een bedrag dat na wijziging is vastgesteld op € 2.539,83, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis de eisende partij opgedragen om de vordering nader te onderbouwen en aan te tonen dat aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en de zorgplicht volgens de Wet op het financieel toezicht (Wft) was voldaan.

De eisende partij heeft vervolgens een landelijke informatieformulier ingevuld en stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan de relevante wettelijke verplichtingen. Tevens heeft zij toegelicht waarom de bedingen in de algemene voorwaarden niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EU. De vordering is aangepast zodat alleen wettelijke rente wordt gevorderd vanaf 1 september 2018.

De kantonrechter oordeelt dat de eisende partij thans voldoende informatie heeft verstrekt en dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. Daarom wordt de vordering toegewezen, met veroordeling van de gedaagde tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.539,83 met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rolnummer: 8208260 \ CV EXPL 19-7900
Verstekvonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020
in de zaak van
de naamloze vennootschap
InterBank N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: M.M.J. Hafkamp,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
gedaagde partij,
tegen wie verstek is verleend.

1.Procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 2.694,66 met rente en kosten. Na wijziging van eis is dit € 2.539,83 geworden.
1.2.
Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.
1.3.
Ter zitting van 11 februari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd. Aangezien er sprake was van een wijziging van eis, heeft eisende partij deze akte aan gedaagde partij betekend en hem opgeroepen op de rolzitting te verschijnen. Gedaagde partij is niet verschenen.

2.Motivering

2.1.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de eisende partij in ieder geval stukken diende te overleggen waaruit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen (artikel 7:59 t/m 7:61 BW) en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft Pro. Daarnaast diende eisende partij toe te lichten waarom de bedingen in de algemene voorwaarden waarop een beroep wordt gedaan volgens haar niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.
2.2.
De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld, producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. De vordering is gebaseerd op de artikelen 6 (vertragingsvergoeding) en 7 sub a (opeisbaarheid) van de algemene voorwaarden. Eisende partij laat de primair gevorderde vertragingsvergoeding te hoogte van de contractuele rente vervallen en wijzigt haar eis zodat zij nu uitsluitend wettelijke rente vordert vanaf 1 september 2018. De vordering is hierdoor niet langer gebaseerd op artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden. Eisende partij heeft daarnaast toegelicht dat artikel 7 sub a van Pro de algemene voorwaarden in overeenstemming is met de gronden genoemd in artikel 7:77 lid 1 sub c onder Pro 1 BW en daarom niet oneerlijk is.
Voorts heeft eisende partij stukken overgelegd waar naar het oordeel van de kantonrechter uit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft Pro.
2.3.
De eisende partij heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende informatie verschaft. Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit kan worden toegewezen als na te melden.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen € 2.539,83 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 285 januari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eisende partij begroot op € 103,06 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan vast recht en € 210,00 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.
typ/conc: 36330/TG
coll: