ECLI:NL:RBNNE:2020:932

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
8199447
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:75 BWArt. 7:77 lid 1 sub c BWArt. 4:34 WftArt. 21 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering Rabobank tot betaling wegens vervroegd opeisingsbeding krediet

De zaak betreft een vordering van Coöperatieve Rabobank U.A. tegen gedaagde tot betaling van een bedrag van €1.987,71 met rente en kosten. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of het vervroegd opeisingsbeding geldig is en of voldaan is aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft Pro, ondanks het ontbreken van het Esic-formulier.

De Rabobank heeft toegelicht dat het krediet van €1.900,- digitaal is aangegaan en dat het krediet iedere drie maanden moest worden afgelost. Gedaagde had een eerder krediet verhoogd naar dit bedrag. Na meerdere aanmaningen en het niet nakomen van een betalingsregeling, is het gehele saldo vervroegd opgeëist.

De kantonrechter oordeelt dat het vervroegd opeisingsbeding geldig is op grond van artikel 7:77 lid 1 sub c BW Pro in samenhang met artikel 7:75 lid 1 BW Pro, omdat de betalingen binnen drie maanden plaatsvinden. Hoewel het Esic-formulier ontbreekt, is aannemelijk dat dit aan gedaagde is verstrekt volgens het beleid van Rabobank. De vordering wordt daarom toegewezen, met veroordeling tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.000,89 met rente en proceskosten wegens het vervroegd opeisingsbeding krediet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rolnummer: 8199447 \ CV EXPL 19-7756
Verstekvonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020
in de zaak van
de coöperatie
Coöperatieve Rabobank U.A.,statutair gevestigd te Amsterdam,
middels fusie d.d. 1 januari 2016 rechtsopvolgster onder algemene titel van de coöperatie Cooperatieve Emmen-Coevorden U.A., voorheen gevestigd en kantoorhoudende te Emmen,
eisende partij,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
gedaagde partij,
tegen wie verstek is verleend.

1.Procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 1.987,71 met rente en kosten.
1.2.
Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.
1.3.
Ter zitting van 11 februari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.

2.Motivering

2.1.
De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de eisende partij in ieder geval stukken dient te overleggen waaruit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft Pro.
Voorts is het de kantonrechter ambtshalve bekend dat eisende partij in het verleden een groot aantal kredietovereenkomsten heeft omgezet naar Rabo Kort Roodstaan. Daarom heeft de kantonrechter de eisende partij ook verzocht om alle tussen partijen gesloten overeenkomsten met bijbehorende voorwaarden die hebben geleid tot onderhavig gevorderde bedrag en indien van toepassing, de stukken waaruit blijkt dat een eerdere overeenkomst mocht worden omgezet in Rabo Kort Roodstaan en waaruit blijkt dat gedaagde partij akkoord is gegaan met de omzetting. Ten slotte diende de eisende partij de vraag te beantwoorden of er naar aanleiding van de opgevraagde informatie sprake is van een wijziging van eis of de gronden daarvan.
2.2.
De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld, producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. Eisende partij heeft toegelicht dat zij niet meer beschikt over de overeenkomst waarbij het krediet is aangegaan, maar dat de overeenkomst op 26 december 2017 digitaal door gedaagde partij is getekend. Het betreft een Rabo Kort Roodstaan krediet van € 1.900,- waarbij het krediet iedere drie maanden diende te zijn afgelost. Gedaagde partij had een eerder afgesloten krediet met € 200,- verhoogd naar € 1.900,-.
2.3.
In brieven van 13 april 2018 en 14 mei 2018 is gedaagde partij aangemaand in verband met overschrijding van het krediet. Gedaagde partij diende er zorg voor te dragen dat de rekening niet meer rood staat dan de overeengekomen kredietlimiet. Daarnaast dient de rekening minimaal één volledige werkdag in de drie maanden een positief saldo te hebben. Partijen zijn een betalingsregeling overeengekomen, maar die werd niet nagekomen door gedaagde partij, waardoor het gehele saldotekort bij brief van 2 juli 2018 in zijn geheel werd opgeëist per 16 juli 2018.
2.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Een vervroegd opeisingsbeding is alleen geldig in de in artikel 7:77 lid 1 sub c BW Pro genoemde gevallen. Uit artikel 7:77 lid 1 sub c BW Pro volgt dat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd kan worden opgeëist wegens overschrijding van het krediet. Artikel 7:77 lid 1 sub c BW Pro is op grond van artikel 7:75 lid 1 BW Pro evenwel niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de betalingen van de consument plaatsvinden binnen drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld. Daar is in dit geval sprake van, zodat het vervroegd opeisingsbeding geldig is.
2.5.
Ten aanzien van de door de kantonrechter verlangde informatie over de (pre)contractuele informatieverplichtingen stelt eisende partij dat zij niet meer beschikt over het Esic-formulier. Deze is, tezamen met de overeenkomst, niet bewaard gebleven of onvindbaar door de fusie tussen de lokale Rabobanken. De eisende partij staat er echter voor in dat dit formulier aan gedaagde partij is verstrekt. Het is sinds mei 2011 vast beleid om dit formulier bij iedere kredietaanvraag te verstrekken. Het formulier is volgens eisende partij tezamen met de conceptovereenkomst aan gedaagde partij verstrekt. Op dat moment was gedaagde partij nog op geen enkele wijze aan het aanbod c.q. de conceptovereenkomst gebonden. De informatie in het formulier was veertien dagen geldig, waardoor gedaagde partij geruime tijd heeft gehad om de informatie te doorgronden en desgewenst te vergelijken met andere aanbieders.
2.6.
De eisende partij heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende informatie verschaft en aannemelijk gemaakt dat zij haar informatieverplichtingen in acht heeft genomen. Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit kan worden toegewezen als na te melden.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen € 2.000,89 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.987,71 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eisende partij begroot op € 103,07 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan vast recht en € 180,00 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.
typ/conc: 36330/TG
coll: