Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 augustus 2019 betreffende de vaststelling van loon en dienstverbanden. De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en oordeelt dat het besluit op bezwaar een publiekrechtelijke rechtshandeling is, waardoor het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank constateert dat verweerder niet bevoegd is om het verzoek van eiser tot vaststelling van loon en dienstverbanden in te willigen, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Hierdoor is het bestreden besluit nietig en had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De rechtbank passeert het gebrek van het niet horen van eiser in de bezwaarfase omdat eiser in de beroepsfase voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt toe te lichten. Er zijn geen verbeurde dwangsommen omdat verweerder tijdig op het bezwaar heeft beslist.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten, vastgesteld op €52,54.