Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[verzoeker] ,
2. [verzoekster 1]
1.[verweerder 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3]
1.De procedure
2.De feiten
Ten behoeve van de contra-enquete welke zal gaan plaatsvinden op maandag 25 mei a.s. stuur ik u op voorhand de verklaring van [naam 9] . Tijdens dit verhoor zal deze getuige verwijzen naar een aantal stukken, welke hij tevens ter zitting zal meenemen en een afschrift daarvan aan uw scheidsgerecht en aan de wederpartij zal verstrekken."
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
nade mondelinge behandeling van het verzoek op 14 augustus 2019 mondeling uitspraak heeft gedaan, dat daarmee de taak van de drie leden van het Comité is geëindigd en dat het om die reden niet meer mogelijk was de leden van het Comité te wraken. Dat wordt beweerd dat de uitspraak in het bijzijn van [verzoeksters] zou zijn gedaan (de lezing van [verzoeksters] van de brief), kan dus niet uit deze brief worden opgemaakt. Kennelijk heeft het Comité op dezelfde dag als de zitting een beslissing genomen en deze op een later moment op schrift gesteld, gedateerd op 14 augustus 2019, zijnde de datum van de beslissing. Dat volgt uit de brief van de voorzitter van het Comité. Dat het Comité hiermee niet op de juiste wijze de wraking heeft afgewikkeld, kan hieruit niet worden afgeleid. De stelling van [verzoeksters] , dat geen sprake is van een onafhankelijke en onpartijdige wrakingsprocedure, is niet nader onderbouwd en niet aannemelijk geworden.