ECLI:NL:RBNNE:2021:1200

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
8826255 CV 20-6866
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 7:84 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onduidelijke grondslag consumentenkredietovereenkomst

De eisende partij, Direct Pay Services B.V., vorderde betaling van een bedrag van €500,00 van de gedaagde partij. De vordering was gebaseerd op vermeende koopovereenkomsten waarbij goederen geleverd zouden zijn. De kantonrechter stelde echter vast dat de dagvaarding onvoldoende informatie bevatte en niet voldeed aan de eisen van artikel 21 Rv Pro, waarop de eisende partij werd bevolen de vordering nader te specificeren.

Uit de stukken bleek dat de betaling in maandelijkse termijnen van €17,00 plaatsvond, wat duidt op een koop op afbetaling. De hoogte van de rente en de terugbetalingstermijn wezen op een consumentenkredietovereenkomst in de zin van artikel 7:84 lid 1 BW Pro, in tegenstelling tot de gestelde koopovereenkomst. De eisende partij heeft deze essentiële wijziging niet toegelicht of erkend.

De kantonrechter concludeerde dat de eisende partij in strijd handelde met artikel 21 Rv Pro door niet volledig en naar waarheid de feiten aan te voeren. Hierdoor kon de grondslag van de vordering niet worden gedragen en werd de vordering afgewezen. De eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten, welke nihil werden begroot aan de zijde van de gedaagde partij.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheid over de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Verstek
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
Zaak-/rolnummer: 8826255 CV EXPL 20-6866
verstekvonnis d.d. 2 maart 2021
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Direct Pay Services B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
eisende partij,
gemachtigde: Webcasso B.V.,
uw kenmerk: DP0600188616,
tegen

[gedaagde] ,

wonende te [adres] ,
gedaagde partij, tegen wie verstek is verleend.

Procesverloop

De eisende partij heeft bij dagvaarding, op daarin geformuleerde gronden, gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 500,00 met rente en kosten.
Op 24 november 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.
Ter zitting van 19 januari 2021 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.
Motivering
De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft hij bepaald dat de eisende partij zich in ieder geval de volgende informatie te verstrekken:
- de aan de gedaagde partij gezonden factuur
- een specificatie van de vordering, waarbij dient te worden toegelicht of er rente is begrepen in de gevorderde hoofdsom van € 760,77, nu in het overzicht van de vordering (productie 4 bij dagvaarding) rente is opgenomen en een deel daarvan volgens dat overzicht is betaald.
De eisende partij baseert de vordering op verschillende koopovereenkomsten. Volgens haar heeft Otto uit hoofde van die koopovereenkomsten diverse goederen aan de gedaagde partij geleverd. De oorspronkelijke factuurbedragen zijn volgens de eisende partij € 214,85 + € 69,99 + € 91,91 + € 158,93 + € 41,50 + 349,99 + € 347,70 = € 1.274,897. Zij heeft de facturen in het geding gebracht.
De eisende partij heeft gesteld dat € 15,80 aan bezorgkosten in rekening zijn gebracht en € 74,88 aan rente over de periode van 25 oktober 2018 tot en met 30 november 2019. De facturen, bezorgkosten en de rente vormen samen een bedrag van € 1.365,56 waarop een bedrag van € 570,00 aan betalingen van de gedaagde partij in mindering gebracht zodat een bedrag van € 795,56. Daarna is er volgens de eisende partij nog een bedrag van € 324,79 in mindering gebracht op de rente.
Op grond van artikel 21 Rv Pro is de eisende partij verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
De kantonrechter overweegt dat uit het bij dagvaarding overgelegde rekeningoverzicht (productie 1) blijkt dat de gedaagde partij de koopprijs in maandelijkse termijnen van € 17,00 diende te voldoen en dat kennelijk wegens wanbetaling het openstaande bedrag is opgeëist. Daaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van koop op afbetaling. Gelet op de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een goederenkrediet in de zin van artikel 7:84 lid 1 BW Pro, nu er over een langere termijn dan drie maanden terug betaald dient te worden. Daarnaast is er fors bedrag aan rente in rekening gebracht, gezien het feit dat de wettelijke rente over een bedrag van € 1.274,80 over de periode van 25 oktober 2018 tot en met 30 november 2019 € 28,13 bedraagt. Uit de hoogte van de in rekening gebrachte rente kan worden afgeleid dat dit een kredietvergoeding betreft.
Omdat de eisende partij in de dagvaarding stelt dat er sprake is van een koopovereenkomst en ook na tussenvonnis met geen woord heeft gerept over de betaling in termijnen is de kantonrechter van oordeel dat de eisende partij in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv Pro.
Gelet daarop en op het feit dat de overgelegde stukken de grondslag van de vordering niet kunnen dragen zal de vordering worden afgewezen.
De eisende partij zal als in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen. Deze worden aan de zijde van gedaagde begroot op nihil.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de eisende partij in de kosten, tot op heden aan de zijde van de gedaagde partij begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.