Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De beoordeling
Kamerstukken II, 30145, nr. 24)
4.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden
Rechtbank Noord-Nederland
Partijen, die een affectieve relatie hadden en samen twee minderjarige kinderen hebben, verzoeken de rechtbank om het door hen opgestelde ouderschapsplan aan een beschikking te hechten en nakoming daarvan af te dwingen. Hoewel zij geen gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, wijst de rechtbank het verzoek toe.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:247 BW Pro het kind recht heeft op gelijkwaardige verzorging door beide ouders en dat ouders met gezamenlijk gezag verplicht zijn een ouderschapsplan op te stellen bij beëindiging van de samenleving. In dit geval ontbreekt het gezamenlijk gezag, waardoor de wettelijke grondslag voor opname van het ouderschapsplan in een beschikking ontbreekt. Desondanks acht de rechtbank het belang van partijen en de bedoeling van de wetgever zodanig dat het verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Wet Bevordering voortgezet ouderschap, waarin het belang van het maken van goede afspraken en het voorkomen van conflicten wordt benadrukt. Daarnaast bevat het ouderschapsplan onderwerpen met een wettelijke grondslag, zoals omgangsregelingen en onderhoudsplicht, die ook zonder gezamenlijk gezag relevant zijn.
Tot slot overweegt de rechtbank dat partijen belang hebben bij een executoriale titel voor de afspraken in het ouderschapsplan. Daarom wordt het ouderschapsplan analoog aan de wettelijke regeling van artikel 1:247a BW opgenomen in de beschikking en wordt het verzoek toegewezen.
Uitkomst: Verzoek tot hechting van het ouderschapsplan aan de beschikking wordt toegewezen en partijen worden veroordeeld tot nakoming.