ECLI:NL:RBNNE:2021:1386

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
177837
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:247a BWArt. 1:253a BWArt. 815 RvArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot hechting ouderschapsplan aan beschikking ondanks ontbreken gezamenlijk gezag

Partijen, die een affectieve relatie hadden en samen twee minderjarige kinderen hebben, verzoeken de rechtbank om het door hen opgestelde ouderschapsplan aan een beschikking te hechten en nakoming daarvan af te dwingen. Hoewel zij geen gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, wijst de rechtbank het verzoek toe.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:247 BW Pro het kind recht heeft op gelijkwaardige verzorging door beide ouders en dat ouders met gezamenlijk gezag verplicht zijn een ouderschapsplan op te stellen bij beëindiging van de samenleving. In dit geval ontbreekt het gezamenlijk gezag, waardoor de wettelijke grondslag voor opname van het ouderschapsplan in een beschikking ontbreekt. Desondanks acht de rechtbank het belang van partijen en de bedoeling van de wetgever zodanig dat het verzoek wordt toegewezen.

De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Wet Bevordering voortgezet ouderschap, waarin het belang van het maken van goede afspraken en het voorkomen van conflicten wordt benadrukt. Daarnaast bevat het ouderschapsplan onderwerpen met een wettelijke grondslag, zoals omgangsregelingen en onderhoudsplicht, die ook zonder gezamenlijk gezag relevant zijn.

Tot slot overweegt de rechtbank dat partijen belang hebben bij een executoriale titel voor de afspraken in het ouderschapsplan. Daarom wordt het ouderschapsplan analoog aan de wettelijke regeling van artikel 1:247a BW opgenomen in de beschikking en wordt het verzoek toegewezen.

Uitkomst: Verzoek tot hechting van het ouderschapsplan aan de beschikking wordt toegewezen en partijen worden veroordeeld tot nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/177837 / FA RK 21-329
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 14 april 2021
in het verzoek van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.C. Bosch, kantoorhoudende te Dokkum,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. S.C. Bosch, kantoorhoudende te Dokkum.

1.Het procesverloop

1.1.
Partijen hebben op 19 maart 2021 een verzoekschrift ingediend. Zij verzoeken, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij worden veroordeeld tot nakoming van de afspraken uit het door partijen ondertekende ouderschapsplan, waarbij het ondertekende ouderschapsplan aan de beschikking wordt gehecht.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Hun minderjarige kinderen zijn:
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 in de gemeente [geboorteplaats] ,
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 in de gemeente [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de kinderen erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:247 lid 4 en Pro 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op een gelijkwaardige opvoeding en verzorging van beide ouders. Het vijfde lid bepaalt uitdrukkelijk dat ouders met gezamenlijk gezag ter uitvoering van dat recht in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening kunnen houden met de praktische belemmeringen die ontstaan in verband met het beëindigen van de samenleving. Ouders die in het gezagsregister hebben laten aantekenen dat zij het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uitoefenen en hun samenleving beëindigen, dienen op basis van artikel 1:247a BW een ouderschapsplan op te stellen als bedoeld in artikel 815, tweede en derde lid Rv. Blijkens de wetsgeschiedenis hecht de wetgever er belang aan dat ouders het ouderschapsplan kunnen laten opnemen in een beschikking.
In het onderhavige geval zijn partijen niet gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, zodat de wet in beginsel geen voorziening kent voor het verzoek van partijen om het ouderschapsplan met betrekking tot de minderjarigen op te doen nemen in de te wijzen beschikking. De artikelen 1:247, 1:247a en 1:253a BW zijn immers niet rechtstreeks van toepassing. Desalniettemin zal de rechtbank het verzoek van partijen toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.2.
Allereerst slaat de rechtbank acht op de bedoeling van de wetgever. In de toelichting op de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding staat dat de wetgever er belang aan hecht dat ouders vroegtijdig nadenken over de invulling van het ouderschap na de scheiding en hierover goede afspraken maken opdat onnodige conflicten nadien worden voorkomen. Daarom dient zowel een eenzijdig als een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten (artikel 815 Rv Pro). De verplichting om een ouderschapsplan in te dienen geldt ook bij een verzoek tot beëindiging van een geregistreerd partnerschap of een scheiding van tafel en bed. Tot slot is in artikel 1:247a BW de verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan bij het beëindigen van de samenwoning tussen ouders met gezamenlijk gezag geregeld. In de toelichting bij de invoering van dit wetsartikel (Amendement van het lid De Pater-van der Meer c.s.) staat onder meer: “Ook ouders die niet gehuwd zijn en geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan hebben de plicht zich rekenschap te geven over de toekomst van hun kinderen na het verbreken van de relatie. In toenemende mate kiezen partners er niet meer voor hun onderlinge relatie vast te leggen. Niet de vorm van de relatie, maar het belang van het kind moet leidend zijn.” (
Kamerstukken II, 30145, nr. 24)
3.3.
Ten tweede omvat het door partijen opgestelde ouderschapsplan naar het oordeel van de rechtbank onderwerpen waarvoor, ook bij het ontbreken van het ouderlijk gezag, een wettelijke grondslag bestaat. De rechtbank doelt hiermee op de omgang tussen de man en de minderjarigen en de onderhoudsplicht van de man (respectievelijk artikel 1:377a BW en artikel 1:392 lid 1 BW Pro). Dit zijn bij uitstek onderwerpen die dienen te worden opgenomen in een ouderschapsplan, zoals blijkt uit artikel 815 lid 3 Rv Pro.
3.4.
Ten derde is de rechtbank van oordeel dat partijen – net als ouders die de samenwoning beëindigen en die wel het gezamenlijk gezag uitoefenen – er belang bij hebben dat het door hen opgestelde ouderschapsplan wordt opgenomen in een beschikking, omdat zij belang hebben bij het verkrijgen van een executoriale titel voor (een deel van) de in het ouderschapsplan neergelegde afspraken.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt bovenstaande mee dat partijen hun afspraken analoog aan de wettelijke regeling van 1:247a BW kunnen vastleggen in een ouderschapsplan en de rechtbank dit ouderschapsplan kan opnemen in deze beschikking. De rechtbank zal het verzoek van partijen toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
veroordeelt partijen, de één tegenover de ander, tot naleving van de door hen getroffen onderlinge afspraken, zoals opgenomen in het door hen opgestelde en ondertekende ouderschapsplan, dat als kopie aan deze beschikking is gehecht en hiervan deel uitmaakt;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. G.J. Baken, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 14 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden
fn: 631