Gedeputeerde Staten van Groningen verzochten de voorzieningenrechter om de schorsing van de last onder dwangsom tegen ESD op te heffen. Deze last verplicht ESD om binnen een termijn de emissie van siliciumcarbidevezels zonder vergunning te beëindigen. ESD had bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, waarna de last werd geschorst.
De voorzieningenrechter overwoog dat de rechtmatigheid van de last binnenkort door de meervoudige kamer zal worden beoordeeld. De kern van het geschil betreft de vraag of de last rechtmatig is en of een veranderingsvergunning of een ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften vereist is. De belangenafweging wees uit dat het belang van ESD om het oordeel af te wachten zwaarder weegt dan het belang van Gedeputeerde Staten bij opheffing.
Daarnaast is vastgesteld dat er geen direct gevaar voor de volksgezondheid is, omdat de meetwaarden niet worden overschreden. Er is geen sprake van gewijzigde feiten die een opheffing rechtvaardigen. Daarom werd het verzoek tot opheffing van de schorsing afgewezen. Tevens werd de verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan ESD.