Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procesgang
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
ontvankelijkheid van de man
5.De beslissing
woensdag 7 april 2021in tegenwoordigheid van de griffier.
Arnhem-Leeuwarden.
Rechtbank Noord-Nederland
De man heeft verzocht om een omgangsregeling met het kind van zijn voormalige partner, waarbij hij één weekend per veertien dagen omgang zou hebben. De vrouw betwistte dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond en dat de man slechts sporadisch en onder aanwezigheid van de vrouw contact had met het kind.
De rechtbank weegt mee dat de man weliswaar betrokken was bij schoolbezoeken en hulpverleningstrajecten, maar dat dit niet voldoende is om te spreken van een nauwe persoonlijke betrekking zoals bedoeld in artikel 1:377a BW. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen expliciet standpunt ingenomen over de nauwe persoonlijke betrekking, maar uitte wel zorgen over de verstoorde relaties rondom het kind.
De rechtbank verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek tot omgangsregeling. Hoewel er zorgen zijn over het welzijn van het kind, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in deze zaak, mede vanwege de betrokkenheid van hulpverlenende instanties.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met het kind.