De rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 mei 2021 uitspraak gedaan in een civiele zaak over het recht van noodweg tussen percelen te Groningen. Eiser, executeur van een nalatenschap, vorderde een verklaring voor recht dat sprake is van een noodweg en een schadevergoeding voor de eigenaar van het bezwaarde erf. De rechtbank bevestigde het bestaan van de noodweg en verbood gedaagde de toegang tot de poort af te sluiten.
Gedaagde voerde aan dat de woonruimten boven de winkel bereikbaar zijn via de winkelruimte en betwistte de noodzaak van de noodweg. Daarnaast stelde hij een maandelijkse vergoeding van €500,- voor als schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de stellingen van gedaagde reeds in eerdere procedureonderdelen waren meegewogen en dat het oordeel over de noodweg niet onjuist was.
Met betrekking tot de schadevergoeding stelde de rechtbank vast dat de waardevermindering van de grond het belangrijkste element is, maar dat gedaagde onvoldoende onderbouwing leverde. De door hem overgelegde makelaarsverklaring hield rekening met waardevermeerdering, wat niet relevant is. De rechtbank stelde de schadevergoeding daarom op nihil vast. Ook een termijn voor het gebruik van de noodweg werd afgewezen, omdat de noodzaak niet was komen te vervallen.
Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het verbod op afsluiting van de noodweg werd met een dwangsom van maximaal €100.000,- gehandhaafd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.