Eiser ontving op 11 mei 2020 een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin een schadevergoeding werd toegekend voor mijnbouwschade aan zijn pand. Tegen dit primaire besluit diende eiser een bezwaarschrift in, maar pas op 1 juli 2020, nadat de wettelijke termijn van zes weken was verstreken. Verweerder, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk vanwege deze termijnoverschrijding.
Eiser voerde aan dat persoonlijke omstandigheden hem belemmerden om tijdig bezwaar te maken en dat het onrechtvaardig was hem zwaar te straffen voor een week overschrijding terwijl verweerder zelf termijnen overschrijdt. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat eiser tijdens de termijn in staat was te werken en geen poging deed om een ander te machtigen voor tijdige indiening.
De rechtbank benadrukte dat het primaire besluit duidelijk wees op de bezwaartermijn en dat de inhoudelijke onenigheid met het besluit geen reden is om de termijnoverschrijding te vergoelijken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.