Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2021:2260

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
8 juni 2021
Zaaknummer
18/288568-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen oplichting en diefstal

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingediend tegen de veroordeelde. De vordering betrof een bedrag van €75.211,-, gebaseerd op opbrengsten uit meerdere strafbare feiten van medeplegen van oplichting en diefstal met behulp van valse sleutels.

De rechtbank baseerde haar schatting op diverse bewijsmiddelen, waaronder het vonnis van de meervoudige strafkamer, verklaringen van de veroordeelde, aangiftes van benadeelden en een rapport van 5 februari 2021 over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Na correcties, waaronder een vermindering wegens geblokkeerde cadeaukaartcodes en een aanpassing van een ontvreemd bedrag, kwam de rechtbank tot een opbrengst van €73.011,-.

De rechtbank nam aan dat de opbrengst gelijk verdeeld was over minstens drie betrokken personen, waaronder de veroordeelde, en stelde het voordeel van de veroordeelde vast op €24.337,-. Hierop werden brandstofkosten van €206,45 in mindering gebracht, resulterend in een definitief bedrag van €24.130,55.

De rechtbank wees betwisting van de raadsman af om de aan benadeelden toegekende vorderingen in mindering te brengen, omdat niet was aangetoond dat deze bedragen waren voldaan of onherroepelijk vastgesteld. Op grond van artikel 36e Sr legde de rechtbank de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €24.130,55 op aan de veroordeelde en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 482 dagen.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €24.130,55 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/288568-20
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 3 juni 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] aan het [straatnaam] ,
thans verblijvende in de [instelling]

Procesverloop

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering, gedateerd 21 april 2021, gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 75.211,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/288568-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 mei 2021.
Bewijsmiddelen [1]
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank van 3 juni 2021 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 4, te weten de verklaringen van veroordeelde [2] en de aangiftes van de gedupeerden en de door hen daarbij overgelegde bankafschriften [3] .
2. het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e lid 2 Sr van 5 februari 2021.
3. een e-mail van [naam] , specialist Payment & Fraude van de [naam warenhuis] d.d. 17 november 2020 aan [verbalisant] , politie Noord-Nederland. [4]

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 3 juni 2021 in de zaak met parketnummer 18/288568-20 onder meer veroordeeld – voor zover hier van belang – ter zake van de bewezenverklaarde feiten 1, 2, 3 en 4, welke worden gekwalificeerd als:
Feiten 1. en 2. Meermalen de voortgezette handeling van medeplegen van oplichting en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Feiten 3. en 4. Meermalen de voortgezette handeling van medeplegen van oplichting en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het hiervoor genoemde Rapport. Dit rapport bevat een opsomming van de verkregen opbrengst, totaal ten bedrage van € 75.211,-. De rechtbank merkt op dat bewezen is verklaard dat verdachte in totaal € 3.500,- heeft ontvreemd van [benadeelde partij 1] in plaats van
€ 3.800,- zoals in het rapport staat vermeld, zodat een correctie met € 300,- zal plaatsvinden. Voorts blijkt uit het strafdossier dat de [naam warenhuis] € 1.900,- aan codes van cadeaukaarten heeft kunnen blokkeren. De opbrengst dient dan ook te worden gesteld op € 73.011,-
Veroordeelde heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij de opbrengst afdroeg aan zijn mededader(s) en dat hij per pintransactie provisie ontving gerelateerd aan de hoogte van de gerealiseerde opbrengst. [5] Verdachte heeft deze beweerde provisieafspraak echter niet nader onderbouwd en heeft niet willen verklaren over zijn onbekend gebleven mededaders, noch over de omvang van de oplichtingsorganisatie en de verdere onderlinge taakverdeling. Omdat er behoudens de enkele niet-onderbouwde stelling van verdachte geen aanwijzingen bestaan voor het tegendeel, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de opbrengst in gelijke delen is verdeeld tussen verdachte en zijn (onbekend gebleven) mededaders.
Uit de aangiftes en de verklaringen van verdachte [6] blijkt dat bij de gepleegde strafbare feiten minstens drie personen betrokken waren: verdachte zelf, de man die langs de deuren ging om de bankpassen op te halen en de man die als zogenaamde bankmedewerker telefonisch contact opnam met de slachtoffers. De rechtbank zal om die reden aannemen dat veroordeelde van de gerealiseerde opbrengst € 24.337,- heeft ontvangen.
De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat rekening moet worden gehouden met de brandstofkosten die veroordeelde heeft gemaakt bij het plegen van de delicten. De auto waarmee verdachte reed, een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] rijdt volgens het openbare OVI/RDW register echter op diesel in plaats van benzine. Het NEDC brandstofverbruik bedraagt volgens genoemd RDW register voor dit voertuig 3,4 l/100km. De gemiddelde pompprijs voor diesel bedroeg in de bewezenverklaarde periode volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek €1,185/liter. Uitgaande van 14 ritten van 366 kilometer en een dieselverbruik van 0.034 liter per kilometer levert dit de volgende berekening op:
Brandstofkosten: 14 x 366 km x 0,034 liter = 174,216 liter diesel
174,216 liter x € 1,185 = € 206,45
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde (€ 24.337,- minus € 206,45 = )
€ 24.130,55 voordeel heeft genoten en stelt de betalingsverplichting vast op hetzelfde bedrag.
De raadsman heeft aangevoerd dat de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank zal hierin niet meegaan nu niet is aangetoond dat deze bedragen (of de bedragen opgelegd als schadevergoedingsmaatregel) zijn voldaan zoals vereist wordt in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin zijn de vorderingen en de schadevergoedingsmaatregelen onherroepelijk in rechte vastgesteld, omdat het vonnis waarin deze beslissingen zijn genomen, eveneens vandaag wordt gewezen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 24.130,55.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
€ 24.130,55(zegge: vierentwintigduizendvijfenzestig euro en zevenenvijftig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 482 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. van Gessel, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juni 2021.

Voetnoten

1.In de hierna opgenomen voetnoten wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie Noord-Nederland met de daarbij behorende bijlagen, zaaknummer 2020315583, gesloten en ondertekend door verbalisant A.R. Drent op 12 februari 2021, met pagina’s doorlopend genummerd 01 tot en met 464.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 452 e.v. en verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 mei 2021
3.Aangiftes van [benadeelde partij 1] , p. 198 e.v., [benadeelde partij 2] p. 217 e.v., [benadeelde partij 3] p. 257 e.v., [benadeelde partij 4] p. 302 e.v., [benadeelde partij 5] p. 311 e.v., [benadeelde partij 6] p. 324 e.v., [benadeelde partij 7] p. 336 e.v., [benadeelde partij 8] p. 353 e.v., [benadeelde partij 9] p. 374, [benadeelde partij 10] p. 384 e.v., [benadeelde partij 11] p. 393 e.v., [benadeelde partij 12] p. 413 e.v.
4.E-mail d.d. 17 november 2020, pagina 289
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 456
6.Zie noot 2 en 3