ECLI:NL:RBNNE:2021:2660

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
LEE 21/64
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:28 AwbArt. 8:88 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding proceskosten na beëindiging huurtoeslag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst om zijn huurtoeslag per 3 juli 2020 stop te zetten. Het primaire besluit is later herroepen wegens onrechtmatigheid, maar eiser vordert daarnaast vergoeding van proceskosten, waaronder rechtsbijstand, verlet- en reiskosten.

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit onrechtmatig was en is herroepen. Het geschil concentreert zich op de vraag of verweerder gehouden is tot vergoeding van kosten die eiser in verband met het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens artikel 7:15 Awb Pro worden kosten slechts vergoed indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

De rechtbank overweegt dat rechtsbijstand alleen door een derde beroepsmatig verleend kan worden en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van zelfverleende rechtsbijstand. Ook is er geen vergoeding van verletkosten mogelijk omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden waarbij eiser aanwezig moest zijn. Gezien het forfaitaire karakter van de proceskostenregeling is ook geen aanvullende vergoeding mogelijk via andere wegen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst de vergoeding van proceskosten af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en vergoeding van proceskosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/64

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: W. Chattou).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de huurtoeslag van eiser per 3 juli 2020 stopgezet.
Bij besluit van 7 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van eiser.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021, waarbij eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] .

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van eiser van 29 oktober 2020. Verweerder stelt in het bestreden besluit tegemoet te komen aan eisers bezwaren.
2. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat verweerder de huurtoeslag op enig moment onrechtmatig heeft beëindigd. Ten onrechte heeft verweerder geen vergoeding voor proceskosten toegekend, aldus eiser. Eiser doelt hierbij op verleende rechtsbijstand en op verletkosten. In beroep vordert eiser eveneens een vergoeding van door hem gemaakte proceskosten (rechtsbijstand, verletkosten en reiskosten).
3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het primaire besluit met het bestreden besluit is herroepen, omdat er sprake was van een onrechtmatig besluit.
5. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of verweerder in het bestreden besluit gehouden was om over te gaan tot een vergoeding van de kosten van bezwaar.
6. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
7. Ingevolge artikel 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor zover van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
(…)
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende.
(…)
8. Met betrekking tot een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand overweegt de rechtbank als volgt. De onderhavige procedure betreft twee partijen, namelijk de Belastingdienst/Toeslagen en eiser. Omdat de heer [naam 1] geen procespartij is in deze procedure, kan eisers standpunt dat hij aan de heer [naam 1] professionele rechtsbijstand heeft verleend – wat daar overigens ook van zij – niet leiden tot een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de onderhavige procedure. Voor zover eiser van mening is dat hij aan zichzelf rechtsbijstand heeft verleend in deze procedure, maakt dit ook niet dat verweerder gehouden was om kosten te gaan vergoeden. Reden hiervoor is dat de rechtsbijstand door een derde, beroepsmatig dient te worden verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er zich geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor rechtsbijstand hebben voorgedaan. Hetgeen eiser hiertoe heeft aangevoerd treft geen doel.
9. De rechtbank overweegt verder dat er in deze zaak in de bezwaarfase niet (telefonisch) is gehoord, omdat verweerder tegemoet ging komen aan eisers bezwaren. Nu er geen hoorzitting is geweest, is er ook geen aanleiding om verletkosten aan eiser te vergoeden. Verletkosten zijn namelijk kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat dus niet om tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van processtukken en het voorbereiden van een zitting. Nu er in bezwaar niet is gehoord, heeft zich geen mogelijkheid voor verletkosten voorgedaan en is een vergoeding daarvan dan ook niet aan de orde. De beroepsgronden hieromtrent slagen niet.
10. Gelet op het voorgaande is verweerder - naar het oordeel van de rechtbank - terecht niet overgegaan tot het vergoeden van kosten van bezwaar, omdat dergelijke kosten zich niet hebben voorgedaan.
11. De rechtbank overweegt verder dat, gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, er voor een (aanvullende) vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van Pro de Awb, dan wel via de burgerlijke rechter, geen plaats is. Ook niet ten aanzien van proceskosten die buiten het Bpb vallen.
12. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
13. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van der Ven, griffier, op 22 juni 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
De rechter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.