ECLI:NL:RBNNE:2021:3082

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
9136382 AR VERZ 21-32
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:686a lid 2 BWArt. 7:686a lid 3 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting procedure en schadevergoeding wegens beëindiging dienstverband bij AOW-leeftijd

De zaak betreft een verzoek van eiser tot toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW Pro, wegens vermeend onjuist handelen van zijn werkgever, Stichting Noorderpoort, bij de beëindiging van zijn dienstverband.

De kantonrechter beoordeelt dat de procedure onjuist is ingeleid via een verzoekschrift en beveelt omzetting naar de dagvaardingsprocedure conform artikel 69 Rv Pro. Dit omdat de vordering niet voortvloeit uit afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW, maar een algemene vordering betreft. De arbeidsovereenkomst was reeds rechtsgeldig geëindigd op grond van het bereiken van de AOW-leeftijd.

Tijdens de mondelinge behandeling is uitsluitend de procesinleiding besproken, niet de inhoud van de vordering of het tegenverzoek. De kantonrechter wijst erop dat eerdere afwijkende uitspraken van gelijke rang niet bindend zijn.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor aanpassing van de processtukken aan de dagvaardingsprocedure, waarbij beide partijen gelegenheid krijgen hun stellingen aan te passen. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De procedure wordt omgezet naar de dagvaardingsprocedure en de zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rolnummer: 9136382 AR VERZ 21-32
Beschikking van de kantonrechter d.d. 9 juni 2021
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. L.H. Haarsma,
tegen
STICHTING NOORDERPOORT,
wonende te Groningen,
verweerster,
gemachtigde: mr. J. Visser.
Partijen zullen hierna [verzoeker] en Noorderpoort worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
[verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 2021, verzocht tot toekenning van een schadevergoeding ex artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
1.2.
Noorderpoort heeft bij brief van 13 april 2021 verzocht om toepassing van artikel 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhoudende dat [verzoeker] wordt bevolen om op een door de rechter te bepalen termijn het stuk waarmee de procedure is ingeleid te verbeteren of aan te vullen, alsmede te bevelen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.
1.3.
In de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling is opgenomen dat het verzoek om toepassing van artikel 69 Rv Pro, tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zal komen.
1.4.
Het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk tegenverzoek van Noorderpoort is ter griffie binnengekomen op 17 mei 2021.
1.5.
Op de mondelinge behandeling van 26 mei 2021 is [verzoeker] met zijn gemachtigde verschenen. Noorderpoort, vertegenwoordigd door [jurist] (jurist) en [HR adviseur] (HR adviseur en pensioendeskundige), is eveneens met haar gemachtigde ter zitting verschenen. Van het behandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De gemachtigden hebben de standpunten van cliënten ten aanzien van de vraag of de juiste rechtsingang is gekozen, toegelicht. De mondelinge behandeling heeft enkel daar betrekking op gehad en er is niet inhoudelijk over het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek gesproken. De door [verzoeker] overgelegde pleitnotie is enkel voorgelezen ten aanzien van de stellingen rondom de gekozen rechtsingang en is vervolgens geretourneerd aan de gemachtigde van [verzoeker] .

2.De beoordeling

procesinleiding
2.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord -zowel ambtshalve als ook wegens het gevoerde verweer- is de vraag of het verzoek van [verzoeker] door middel van een verzoekschrift aanhangig moet worden gemaakt. Dat is niet het geval. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.2.
In dit geval is geen sprake van een geding dat is gebaseerd op het in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van boek 7 bepaalde, maar van een vordering op grond van de algemene regeling met betrekking tot de vraag of Noorderpoort in strijd met het in artikel 7:611 BW Pro vervatte beginsel van goed werkgeverschap heeft gehandeld. Dit is ook het enige verzoek dat [verzoeker] heeft ingediend. Derhalve is er, anders dan [verzoeker] heeft betoogd, gelet op artikel 7:686a lid 2 en 3 geen sprake van een geding dat met een verzoekschrift moet worden ingeleid. De vordering van [verzoeker] houdt ook geen verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst omdat die reeds op 9 augustus 2018 wegens het bereiken van de AOW-leeftijd van rechtswege is geëindigd.
2.3.
Dat er in het verleden in een vergelijkbare zaak anders is geoordeeld leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het - zo begrijpt de kantonrechter - een uitspraak van een rechter van gelijke rang betreft, waaraan de kantonrechter zich niet gebonden acht.
2.4.
Het voorgaande maakt dat de kantonrechter het op grond van het bepaalde in artikel 69 Rv Pro nodig acht te bevelen dat de zaak zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, op na te melden wijze.
Beslissing
De kantonrechter:
- bepaalt dat de zaak in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure;
- stelt [verzoeker] in de gelegenheid om zijn stellingen aan te passen aan de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 6 juli 2021;
- bepaalt dat Noorderpoort op een daaropvolgende rolzitting in de gelegenheid zal worden gesteld om ook haar stellingen aan te passen aan de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
c 412